Ga verder naar de inhoud

BC/25-0302

Fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Disciplinaire
TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK

De eerste tuchtinbreuk bestond in het "geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel". De vaststelling dat het huishoudelijk reglement niets bepaalt over de vraag of de gedetineerde al dan niet een boek mag meenemen naar zijn afspraak met de medische of een andere dienst, heeft niet tot gevolg dat het bevel van de beambte om het boek op cel te laten, in strijd was met het huishoudelijk reglement of in die mate onredelijk was dat het ging over een kennelijk onrechtmatig bevel waaraan de gedetineerde geen gehoor moest geven. Het kwam bijgevolg de klager niet toe de aanmaning van de beambte te negeren. De directie kon het tuchtfeit in alle redelijkheid bewezen verklaren.
De tweede tuchtinbreuk werd omschreven als "de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee".
Voor de omschrijving van een feit als “opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee” volstaat niet de louter subjectieve perceptie of indruk die het gedrag of de handeling op een persoon maakt, maar moet het gedrag een zekere graad van objectieve ernst vertonen die van aard is om bij een normaal redelijke persoon het psychisch welzijn aan te tasten. Hoe misplaatst het ook was om de beambte met een Latijnse spreuk als het ware de les te spellen, de handeling vertoonde niet de minimale ernst die vereist is opdat deze handeling kon worden beschouwd als een “opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee”.
Het rapport aan de directeur voor beide tuchtinbreuken werd opgesteld nadat de beambte de betekenis van de spreuk had opgezocht. De aanleiding voor het opstellen van het rapport ligt dan ook veeleer in de veronderstelde bedreiging.
De opzettelijke aantasting van de psychische integriteit, of de bedreiging daarmee, is een veel ernstiger tuchtfeit dan het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel. Aangezien de tweede tuchtinbreuk niet in redelijkheid bewezen kon worden verklaard, kan de tuchtstraf die voor beide feiten werd opgelegd, niet behouden blijven. Wanneer de directie van oordeel was dat een tuchtstraf van drie dagen ATV gerechtvaardigd was voor de twee inbreuken, waarvan één van de eerste categorie, is deze tuchtstraf niet meer in verhouding tot het wel bewezen tuchtfeit van de tweede categorie en bijgevolg onredelijk. De beroepscommissie herleidt de tuchtstraf dan ook tot de straf die in redelijkheid kon worden opgelegd voor het bewezen verklaarde tuchtfeit, namelijk tot de berisping met inschrijving in het register voor tuchtsancties.
De beroepscommissie ziet in de gegeven omstandigheden geen redenen om, bovenop de gedeeltelijke vernietiging van de tuchtbeslissing en de daaruit voortvloeiende schrapping van de vermelding in het individuele tuchtregister, een tegemoetkoming toe te kennen.