Ga verder naar de inhoud

BC/25-0293

Fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Mesure d'ordre
KLCAHTENPROCEDURE - RECHT VAN VERDEDIGING - ARBEID - ONTSLAG

Voor zover de beëindiging van de tewerkstelling daadwerkelijk het voorwerp van de klacht uitmaakte, bestond hierover in elk geval grote onduidelijkheid. Noch uit de vermeldingen in de beslissing, noch uit het dossier van de klachtencommissie blijkt dat de klachtencommissie hierover aan de klager en zijn advocaat en aan de directie verduidelijking vroeg. Evenmin blijkt dat de klachtencommissie aan de directie vroeg over de beëindiging van de tewerkstelling haar opmerkingen en stukken over te maken.
In deze omstandigheden kon de klachtencommissie niet zonder schending van het recht van verdediging van de directie tot de conclusie komen dat bij gebrek aan dossier, en dus bij gebrek aan deugdelijke motieven waarop de bestreden beslissing moest steunen, de klacht over de beëindiging van de tewerkstelling gegrond moest worden verklaard.

De beëindiging van de tewerkstelling van een disciplinair gestrafte gedetineerde gaat terug op een beslissing van de directeur – en is dus vatbaar voor beklag – ook al zou het gaan om de beëindiging van een tewerkstelling van een gedetineerde wanneer het tuchtvergrijp als zodanig niet tot gevolg heeft dat hij niet meer geschikt is voor de arbeidspost of dat de werkrelatie niet langer mogelijk is, maar waarbij de beëindiging van de tewerkstelling wordt voorgesteld als een gevolg van het feit “dat het werk niet meer beschikbaar is”. Anders dan de nota “Arbeid – tucht – veiligheidsmaatregel” van 28 november 2024 van de Directie Juridische Dienst van het directoraat-generaal Penitentiaire inrichtingen doet veronderstellen, is het feit “dat het werk niet meer beschikbaar is” niet een “onvermijdelijk gevolg” van de afwezigheid van de gedetineerde op het werk, maar het gevolg van een beslissing van de directie. De tijdelijke afwezigheid van de disciplinair gestrafte gedetineerde vereist immers een beslissing over de vraag of als gevolg van diens tijdelijke afwezigheid het werk definitief aan een andere gedetineerde zal worden toegewezen. Alleen die definitieve toewijzing van het werk aan een andere gedetineerde brengt mee dat het werk niet meer beschikbaar is. Die definitieve toewijzing van het werk aan een andere gedetineerde veronderstelt ook de beslissing dat de disciplinair gestrafte gedetineerde na afloop van zijn tuchtstraf het werk niet meer zal moeten hernemen. De directie kan immers ook beslissen dat – bijvoorbeeld rekening houdend met de aard van het werk, de duur van de afwezigheid van de disciplinair gestrafte gedetineerde, diens kwalificaties en de beschikbaarheid van andere gedetineerden die het werk kunnen uitvoeren – de arbeidsplaats voor de duur van de afwezigheid van de disciplinair gestrafte vacant wordt gelaten of dat de arbeidsplaats slechts tijdelijk aan een vervanger wordt toegewezen (zoals dit ook het geval zou kunnen zijn tijdens een ziekte van de disciplinair gestrafte gedetineerde). De directeur beschikt ter zake over een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid die echter wordt begrensd door de redelijkheid en de billijkheid, na afweging van alle in aanmerking komende belangen.
Het inrichtingshoofd zet uiteen dat het ontslag gesteund was op het feit dat de klager in de grootkeuken was tewerkgesteld, dat deze werkpost cruciaal is voor de continuïteit en de goede werking van de keuken zodat een andere gedetineerde werd aangesteld voor deze arbeidspost en dat na afloop van de tuchtsanctie het werk dus niet meer beschikbaar was. De klager voerde niet aan dat hij de motieven van de ontslagbeslissing niet kende. Hij betwist evenmin de redenen van deze ontslagbeslissing. In deze omstandigheden ziet de beroepscommissie geen reden om de ontslagbeslissing uit eigen beweging nader te onderzoeken. De opgegeven redenen kunnen, binnen de grenzen van de redelijkheid, de bestreden ontslagbeslissing verantwoorden.