OVERPLAATSING - GEINTERNEERDE - ONTVANKELIJKHEID - OVERBEVOLKING
Het is vooreerst niet omdat de directeur of de DDB resp. de directeur-generaal geen gebruik maakten van de klassieke modelformulieren voor de beslissing tot plaatsing resp. de beslissing op bezwaar, dat beroepsindiener in casu geen ontvankelijk beroep kan instellen.
Hier anders over oordelen zou immers betekenen dat hij verstoken blijft van een rechtsmiddel, louter omdat de beslissing door de directeur of de DDB mondeling werd genomen en vervolgens pas na aandringen van de raadsman schriftelijk werd bekrachtigd.
Hoewel het vonnis tot internering intussen op 26 juli 2025 in kracht van gewijsde trad, stelt de beroepscommissie bovendien vast dat de bestreden overplaatsing zich afspeelt in de fase voor de tussenkomst van de Kamer voor Bescherming van de Maatschappij (hierna KBM), aangezien deze zich tot op heden nog niet uitsprak over de plaatsing. Bijgevolg kan ook niet worden aangenomen dat het de KBM zou zijn die zijn overplaatsing heeft bevolen en blijft de discretionaire bevoegdheid van de penitentiaire administratie ter zake onverlet.
Bij gebreke aan plaatsingsregeling omtrent deze fase in de interneringswet, zijn er aldus geen “andersluidende bepalingen” in de zin van artikel 167 §1 van de basiswet, die de bepalingen van de basiswet van toepassing verklaart op geïnterneerden “behoudens andersluidende bepalingen”.
De ratio legis van artikel 167 §2 van de basiswet in acht genomen en bij gebreke aan een plaatsingbeslissing van de KBM, kan beroepsindiener bovendien (nog) niet beschouwd worden als een geïnterneerde waarop de artikelen 17 en 18 en 163 tot 166 van de basiswet betreffende de (over)plaatsing niet van toepassing zouden zijn.
Hier anders over oordelen, zou opnieuw betekenen dat beroepsindiener verstoken blijft van een rechtsmiddel tegen zijn (over)plaatsing in de fase voor de tussenkomst van de KBM, die in de praktijk de vooropgestelde termijn van 3 maanden bovendien ruim overschrijdt.
Het beroep is dan ook ontvankelijk.
Hoewel kan worden aangenomen dat het zorgprincipe -in het bijzonder ook met het oog op de verslaggeving voor de KBM- een redelijk motief kan zijn om de overplaatsing van een gedetineerde die tevens een interneringstitel heeft te verantwoorden, staat daar tegenover dat deze zorg ook daadwerkelijk moet kunnen worden verstrekt.
De directeur-generaal weerlegt de door beroepsindiener opgelijste grieven daaromtrent geenszins. De directeur-generaal motiveerde evenmin omtrent de pertinente vraag welke gevangenis in de praktijk het meest uitgerust is voor de zorgnoden van een geïnterneerde in afwachting van de plaatsingbeslissing door de KBM, rekening houdend met de aangevoerde overbevolking in de PI Gent.
De directeur-generaal heeft de bestreden overplaatsing dan ook bekrachtigd zonder zorgvuldige afweging van alle in het geding betrokken belangen en grieven, zodat haar beslissing om het standpunt van de directie of de DDB zonder meer te volgen, vernietigd dient te worden.
Het is vooreerst niet omdat de directeur of de DDB resp. de directeur-generaal geen gebruik maakten van de klassieke modelformulieren voor de beslissing tot plaatsing resp. de beslissing op bezwaar, dat beroepsindiener in casu geen ontvankelijk beroep kan instellen.
Hier anders over oordelen zou immers betekenen dat hij verstoken blijft van een rechtsmiddel, louter omdat de beslissing door de directeur of de DDB mondeling werd genomen en vervolgens pas na aandringen van de raadsman schriftelijk werd bekrachtigd.
Hoewel het vonnis tot internering intussen op 26 juli 2025 in kracht van gewijsde trad, stelt de beroepscommissie bovendien vast dat de bestreden overplaatsing zich afspeelt in de fase voor de tussenkomst van de Kamer voor Bescherming van de Maatschappij (hierna KBM), aangezien deze zich tot op heden nog niet uitsprak over de plaatsing. Bijgevolg kan ook niet worden aangenomen dat het de KBM zou zijn die zijn overplaatsing heeft bevolen en blijft de discretionaire bevoegdheid van de penitentiaire administratie ter zake onverlet.
Bij gebreke aan plaatsingsregeling omtrent deze fase in de interneringswet, zijn er aldus geen “andersluidende bepalingen” in de zin van artikel 167 §1 van de basiswet, die de bepalingen van de basiswet van toepassing verklaart op geïnterneerden “behoudens andersluidende bepalingen”.
De ratio legis van artikel 167 §2 van de basiswet in acht genomen en bij gebreke aan een plaatsingbeslissing van de KBM, kan beroepsindiener bovendien (nog) niet beschouwd worden als een geïnterneerde waarop de artikelen 17 en 18 en 163 tot 166 van de basiswet betreffende de (over)plaatsing niet van toepassing zouden zijn.
Hier anders over oordelen, zou opnieuw betekenen dat beroepsindiener verstoken blijft van een rechtsmiddel tegen zijn (over)plaatsing in de fase voor de tussenkomst van de KBM, die in de praktijk de vooropgestelde termijn van 3 maanden bovendien ruim overschrijdt.
Het beroep is dan ook ontvankelijk.
Hoewel kan worden aangenomen dat het zorgprincipe -in het bijzonder ook met het oog op de verslaggeving voor de KBM- een redelijk motief kan zijn om de overplaatsing van een gedetineerde die tevens een interneringstitel heeft te verantwoorden, staat daar tegenover dat deze zorg ook daadwerkelijk moet kunnen worden verstrekt.
De directeur-generaal weerlegt de door beroepsindiener opgelijste grieven daaromtrent geenszins. De directeur-generaal motiveerde evenmin omtrent de pertinente vraag welke gevangenis in de praktijk het meest uitgerust is voor de zorgnoden van een geïnterneerde in afwachting van de plaatsingbeslissing door de KBM, rekening houdend met de aangevoerde overbevolking in de PI Gent.
De directeur-generaal heeft de bestreden overplaatsing dan ook bekrachtigd zonder zorgvuldige afweging van alle in het geding betrokken belangen en grieven, zodat haar beslissing om het standpunt van de directie of de DDB zonder meer te volgen, vernietigd dient te worden.