UITVOERING FOUILLE
Het inrichtingshoofd heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij een klacht van klager tegen de uitvoering van een fouillering op zijn lichaam ontvankelijk en gegrond werd verklaard en aan klager een tegemoetkoming werd toegekend.
Wat betreft de ontvankelijkheid van de initiële klacht, wijst de beroepscommissie erop dat het Grondwettelijk Hof twee door de Nederlandstalige beroepscommissie gestelde prejudiciële vragen over het toepassingsgebied van het beklagrecht inmiddels – duidelijk – heeft beantwoord. Het Grondwettelijk Hof heeft duidelijk bepaald dat artikel 148, eerste lid Basiswet zo kan worden geïnterpreteerd dat de gedetineerde eveneens beklag kan doen over de wijze van uitvoering van de beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem werd genomen. Enkel in die interpretatie is artikel 148, eerste lid Basiswet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De interpretatie van artikel 148, eerste lid Basiswet als zou geen beklag kunnen worden ingediend tegen de uitvoering van een beslissing die door of namens de directeur werd genomen, was en is dus niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De initiële klacht werd terecht ontvankelijk verklaard. Het beroep is op dit vlak niet gegrond.
Wat betreft de gegrondheid van de initiële klacht, wijst de beroepscommissie erop dat klagers klacht luidde: “Ik vind dat deze controle niet correct is verlopen. Ik stond naakt zonder handdoek. Ze (2 personen) keken gebukt naar mijn lichaamsdelen”. De klachtencommissie heeft geoordeeld dat klager had aangevoerd dat hij tijdens de naaktfouille van de beambten geen handdoek aangeboden heeft gekregen; zij zag voldoende redenen om aan te nemen dat de procedure ten aanzien van klager niet correct werd gevolgd werd en verklaarde de klacht daarom gegrond.
De beroepscommissie is van oordeel dat de klachtencommissie niet zomaar kon oordelen dat de klacht gegrond was. Klager heeft enkel maar aangevoerd dat: (1) hij ‘naakt stond zonder handdoek’ en (2) twee beambten ‘gebukt naar zijn lichaamsdelen hebben gekeken’. Enerzijds is het volledig ontkleed zijn een inherent onderdeel van een fouillering op het lichaam. Klager heeft niet, zoals de klachtencommissie heeft aangenomen, ‘aangevoerd dat hij geen handdoek heeft gekregen’. Klager heeft enkel maar gesteld dat hij ‘naakt stond zonder handdoek’. Hij heeft niet aangevoerd dat hij gedurende de volledige fouillering geen handdoek zou hebben gekregen of hij in het begin van de fouillering geen handdoek aangeboden heeft gekregen. Dat klager op een gegeven ogenblik ‘naakt stond’, volgt uit de wijze waarop beambten een fouillering overeenkomstig bijlage 3 bij collectieve brief nr. 141 moeten uitvoeren. Na een visuele controle van de mondholte en het spreiden van de armen, wordt gevraagd om de handdoek weg te nemen en 360° rond te draaien. Op dit moment staat een gedetineerde dus naakt, wat op zich niet in strijd is met de Basiswet noch met de manier waarop een fouillering op het lichaam overeenkomstig collectieve brief nr. 141 dient plaats te vinden.
Anderzijds is het feit dat beambten ‘gebukt’ zouden hebben ‘gekeken naar zijn lichaamsdelen’ evenmin onwettig, onredelijk of onbillijk. Een fouillering op het lichaam moet beperkt blijven tot een visuele en uitwendige schouwing. Uit de omschrijving van klager blijkt niet dat de twee beambten méér zouden hebben gedaan dan een uitwendige schouwing, dan wel handelingen zouden hebben gesteld die een tergend karakter hadden of in strijd waren met zijn menselijke waardigheid. De fouillering op het lichaam werd op een correcte wijze uitgevoerd. Het beroep is op dit specifieke vlak ontvankelijk en gegrond.
Het inrichtingshoofd heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij een klacht van klager tegen de uitvoering van een fouillering op zijn lichaam ontvankelijk en gegrond werd verklaard en aan klager een tegemoetkoming werd toegekend.
Wat betreft de ontvankelijkheid van de initiële klacht, wijst de beroepscommissie erop dat het Grondwettelijk Hof twee door de Nederlandstalige beroepscommissie gestelde prejudiciële vragen over het toepassingsgebied van het beklagrecht inmiddels – duidelijk – heeft beantwoord. Het Grondwettelijk Hof heeft duidelijk bepaald dat artikel 148, eerste lid Basiswet zo kan worden geïnterpreteerd dat de gedetineerde eveneens beklag kan doen over de wijze van uitvoering van de beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem werd genomen. Enkel in die interpretatie is artikel 148, eerste lid Basiswet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De interpretatie van artikel 148, eerste lid Basiswet als zou geen beklag kunnen worden ingediend tegen de uitvoering van een beslissing die door of namens de directeur werd genomen, was en is dus niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De initiële klacht werd terecht ontvankelijk verklaard. Het beroep is op dit vlak niet gegrond.
Wat betreft de gegrondheid van de initiële klacht, wijst de beroepscommissie erop dat klagers klacht luidde: “Ik vind dat deze controle niet correct is verlopen. Ik stond naakt zonder handdoek. Ze (2 personen) keken gebukt naar mijn lichaamsdelen”. De klachtencommissie heeft geoordeeld dat klager had aangevoerd dat hij tijdens de naaktfouille van de beambten geen handdoek aangeboden heeft gekregen; zij zag voldoende redenen om aan te nemen dat de procedure ten aanzien van klager niet correct werd gevolgd werd en verklaarde de klacht daarom gegrond.
De beroepscommissie is van oordeel dat de klachtencommissie niet zomaar kon oordelen dat de klacht gegrond was. Klager heeft enkel maar aangevoerd dat: (1) hij ‘naakt stond zonder handdoek’ en (2) twee beambten ‘gebukt naar zijn lichaamsdelen hebben gekeken’. Enerzijds is het volledig ontkleed zijn een inherent onderdeel van een fouillering op het lichaam. Klager heeft niet, zoals de klachtencommissie heeft aangenomen, ‘aangevoerd dat hij geen handdoek heeft gekregen’. Klager heeft enkel maar gesteld dat hij ‘naakt stond zonder handdoek’. Hij heeft niet aangevoerd dat hij gedurende de volledige fouillering geen handdoek zou hebben gekregen of hij in het begin van de fouillering geen handdoek aangeboden heeft gekregen. Dat klager op een gegeven ogenblik ‘naakt stond’, volgt uit de wijze waarop beambten een fouillering overeenkomstig bijlage 3 bij collectieve brief nr. 141 moeten uitvoeren. Na een visuele controle van de mondholte en het spreiden van de armen, wordt gevraagd om de handdoek weg te nemen en 360° rond te draaien. Op dit moment staat een gedetineerde dus naakt, wat op zich niet in strijd is met de Basiswet noch met de manier waarop een fouillering op het lichaam overeenkomstig collectieve brief nr. 141 dient plaats te vinden.
Anderzijds is het feit dat beambten ‘gebukt’ zouden hebben ‘gekeken naar zijn lichaamsdelen’ evenmin onwettig, onredelijk of onbillijk. Een fouillering op het lichaam moet beperkt blijven tot een visuele en uitwendige schouwing. Uit de omschrijving van klager blijkt niet dat de twee beambten méér zouden hebben gedaan dan een uitwendige schouwing, dan wel handelingen zouden hebben gesteld die een tergend karakter hadden of in strijd waren met zijn menselijke waardigheid. De fouillering op het lichaam werd op een correcte wijze uitgevoerd. Het beroep is op dit specifieke vlak ontvankelijk en gegrond.