BC/25-0239
Non fondée
Beroepscommissie
Commission d'Appel
Autre décision directeur
Disciplinaire
Pas de décision du directeur
TUCHT – GEEN BESLISSING DIRECTEUR – WANDELING
Klager heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie, die initieel vijf klachten van klager heeft beoordeeld. Zijn beroep gaat over drie van deze initiële klachten.
Het beroep is vooreerst gericht tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij een klacht tegen een tuchtbeslissing ontvankelijk en gegrond werd verklaard. De klachtencommissie had de feiten geherkwalificeerd van een inbreuk van eerste categorie naar een inbreuk van tweede categorie, maar de sanctie van tien dagen ATV behouden. Klager vindt deze sanctie disproportioneel; hij heeft dus nog belang bij dit beroep. De beroepscommissie bevestigt dat een herkwalificatie van tuchtfeiten geen verplichting met zich meebrengt om de voor die feiten opgelegde tuchtsanctie te milderen, of toch voor zover het in de Basiswet bepaalde maximum voor de geherkwalificeerde feiten niet werd overschreden. Dat de klachtencommissie in dezen de opgelegde sanctie van tien dagen ATV heeft behouden, is niet onwettig, onredelijk of onbillijk. Klager hekelt verder het feit dat zijn telefoon werd ‘afgesloten’ tijdens zijn ATV-sanctie zonder dat de directie dit heeft gemotiveerd. Dat klagers telefoon werd afgesloten tijdens de loop van zijn ATV-sanctie (behoudens contacten met zijn advocaat), betreft louter een automatisch en in de Basiswet voorzien gevolg van het opleggen van een ATV-sanctie. De directie hoefde dit dus niet te motiveren. Het beroep is op dit vlak ontvankelijk, maar niet gegrond.
Het beroep is ten tweede gericht tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij een klacht over het feit dat klager niet mocht gaan werken op een bepaalde dag niet-ontvankelijk werd verklaard. De beroepscommissie merkt op dat op basis van de beschikbare informatie niet ondubbelzinnig blijkt waarom klager op de bewuste dag niet kon of mocht gaan werken. Op basis van het verweer van de directie voor de klachtencommissie en het verweer van het inrichtingshoofd in deze beroepsprocedure blijkt evenwel dat de directie de nodige inlichtingen heeft ingewonnen en, op basis van de beslissing van de klachtencommissie, verder nog de nodige zaken zou doen ter opvolging. Voor de beroepscommissie blijkt onvoldoende duidelijk of aan heel deze situatie een beslissing door of namens de directeur of een verzuim of weigering om een beslissing te nemen ten grondslag ligt (en welke beslissing dit in voorkomend geval dan zou zijn). De klacht werd terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ook op dit vlak ontvankelijk, maar niet gegrond.
Het beroep is ten derde gericht tegen het feit dat klager, op een dag waarop hij werd overgeplaatst, niet mocht gaan wandelen (noch in de gevangenis van vertrek, noch in deze van aankomst). De klachtencommissie vond de klacht ongegrond, aangezien zij geen redenen zag om te twijfelen aan de verklaringen van de directie van de gevangenis van vertrek dat aan klager wel degelijk een wandeling werd aangeboden, maar hij dit heeft geweigerd. De beroepscommissie sluit zich hierbij aan. Zij acht het onvoldoende aannemelijk gemaakt dat klager geen wandeling meer zou hebben (aangeboden) gekregen. Het beroep is ook op dit vlak ontvankelijk, maar niet gegrond.
Klager heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie, die initieel vijf klachten van klager heeft beoordeeld. Zijn beroep gaat over drie van deze initiële klachten.
Het beroep is vooreerst gericht tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij een klacht tegen een tuchtbeslissing ontvankelijk en gegrond werd verklaard. De klachtencommissie had de feiten geherkwalificeerd van een inbreuk van eerste categorie naar een inbreuk van tweede categorie, maar de sanctie van tien dagen ATV behouden. Klager vindt deze sanctie disproportioneel; hij heeft dus nog belang bij dit beroep. De beroepscommissie bevestigt dat een herkwalificatie van tuchtfeiten geen verplichting met zich meebrengt om de voor die feiten opgelegde tuchtsanctie te milderen, of toch voor zover het in de Basiswet bepaalde maximum voor de geherkwalificeerde feiten niet werd overschreden. Dat de klachtencommissie in dezen de opgelegde sanctie van tien dagen ATV heeft behouden, is niet onwettig, onredelijk of onbillijk. Klager hekelt verder het feit dat zijn telefoon werd ‘afgesloten’ tijdens zijn ATV-sanctie zonder dat de directie dit heeft gemotiveerd. Dat klagers telefoon werd afgesloten tijdens de loop van zijn ATV-sanctie (behoudens contacten met zijn advocaat), betreft louter een automatisch en in de Basiswet voorzien gevolg van het opleggen van een ATV-sanctie. De directie hoefde dit dus niet te motiveren. Het beroep is op dit vlak ontvankelijk, maar niet gegrond.
Het beroep is ten tweede gericht tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij een klacht over het feit dat klager niet mocht gaan werken op een bepaalde dag niet-ontvankelijk werd verklaard. De beroepscommissie merkt op dat op basis van de beschikbare informatie niet ondubbelzinnig blijkt waarom klager op de bewuste dag niet kon of mocht gaan werken. Op basis van het verweer van de directie voor de klachtencommissie en het verweer van het inrichtingshoofd in deze beroepsprocedure blijkt evenwel dat de directie de nodige inlichtingen heeft ingewonnen en, op basis van de beslissing van de klachtencommissie, verder nog de nodige zaken zou doen ter opvolging. Voor de beroepscommissie blijkt onvoldoende duidelijk of aan heel deze situatie een beslissing door of namens de directeur of een verzuim of weigering om een beslissing te nemen ten grondslag ligt (en welke beslissing dit in voorkomend geval dan zou zijn). De klacht werd terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ook op dit vlak ontvankelijk, maar niet gegrond.
Het beroep is ten derde gericht tegen het feit dat klager, op een dag waarop hij werd overgeplaatst, niet mocht gaan wandelen (noch in de gevangenis van vertrek, noch in deze van aankomst). De klachtencommissie vond de klacht ongegrond, aangezien zij geen redenen zag om te twijfelen aan de verklaringen van de directie van de gevangenis van vertrek dat aan klager wel degelijk een wandeling werd aangeboden, maar hij dit heeft geweigerd. De beroepscommissie sluit zich hierbij aan. Zij acht het onvoldoende aannemelijk gemaakt dat klager geen wandeling meer zou hebben (aangeboden) gekregen. Het beroep is ook op dit vlak ontvankelijk, maar niet gegrond.
Er werd een klachtendossier met referentie KC34/25-0001 opgestart