OVERPLAATSING - DISCRETIONAIRE BEVOEGDHEID
De beroepscommissie stelt vast dat de verwijdering uit het detentiehuis te Kortrijk in essentie is ingegeven gelet op zijn negatief detentiegedrag aldaar. Beroepsindiener tracht dat in bezwaar te relativeren maar overtuigt de directeur-generaal niet.
Het feit dat hij reeds werd verwijderd vooral de beslissing van de DDB werd betekend, neemt niet weg dat zijn bezwaar – en beroepsmogelijkheid bleef openstaan en dat er alleszins geen sprake is van aan schorsend beroep, zodat de beslissing alleszins reeds uitvoerbaar was.
De directeur-generaal benadrukt in de bestreden beslissing dat de plaatsing werd geweigerd omdat zijn profiel niet overeenkomt met de verwachtingen van een detentiehuis, met name het kunnen samenleven in groep en actief meewerken aan het begeleidingsaanbod en reclassering.
In zijn beroepschrift herhaalt hij in grote mate zijn bezwaren en relativeert hij zijn gedrag verder. Hij ontkent in het bijzonder niet dat hij verontwaardigd was, doch ontkent een agressieve houding te hebben aangenomen.
Beroepsindiener maakt voorts niet hard dat hij de rol als mantelzorger moet en kan opnemen ten aanzien van zijn partner, terwijl de directeur-generaal aangeeft dat zijn partner reeds de nodige zorgen krijgt en beroepsindiener in zijn zelf opgestelde beroepsformulier geen enkele grief uit in verband met deze rol.
Beroepsindiener erkent bovendien deels dat hij het personeel geen inkijk gaf tijdens de teammeetings die hij organiseerde.
Gelet op het bovenstaande kon de directeur-generaal binnen haar ruime discretionaire bevoegdheid ter zake het bezwaar op redelijke en billijke wijze afwijzen, rekening houdend met het feit dat er binnen een detentiehuis bepaalde gedragsregels moeten worden nageleefd om het verblijf daarin voor iedereen (en ook voor het personeel) leefbaar te houden.
De beroepscommissie stelt vast dat de verwijdering uit het detentiehuis te Kortrijk in essentie is ingegeven gelet op zijn negatief detentiegedrag aldaar. Beroepsindiener tracht dat in bezwaar te relativeren maar overtuigt de directeur-generaal niet.
Het feit dat hij reeds werd verwijderd vooral de beslissing van de DDB werd betekend, neemt niet weg dat zijn bezwaar – en beroepsmogelijkheid bleef openstaan en dat er alleszins geen sprake is van aan schorsend beroep, zodat de beslissing alleszins reeds uitvoerbaar was.
De directeur-generaal benadrukt in de bestreden beslissing dat de plaatsing werd geweigerd omdat zijn profiel niet overeenkomt met de verwachtingen van een detentiehuis, met name het kunnen samenleven in groep en actief meewerken aan het begeleidingsaanbod en reclassering.
In zijn beroepschrift herhaalt hij in grote mate zijn bezwaren en relativeert hij zijn gedrag verder. Hij ontkent in het bijzonder niet dat hij verontwaardigd was, doch ontkent een agressieve houding te hebben aangenomen.
Beroepsindiener maakt voorts niet hard dat hij de rol als mantelzorger moet en kan opnemen ten aanzien van zijn partner, terwijl de directeur-generaal aangeeft dat zijn partner reeds de nodige zorgen krijgt en beroepsindiener in zijn zelf opgestelde beroepsformulier geen enkele grief uit in verband met deze rol.
Beroepsindiener erkent bovendien deels dat hij het personeel geen inkijk gaf tijdens de teammeetings die hij organiseerde.
Gelet op het bovenstaande kon de directeur-generaal binnen haar ruime discretionaire bevoegdheid ter zake het bezwaar op redelijke en billijke wijze afwijzen, rekening houdend met het feit dat er binnen een detentiehuis bepaalde gedragsregels moeten worden nageleefd om het verblijf daarin voor iedereen (en ook voor het personeel) leefbaar te houden.