Ga verder naar de inhoud

BC/25-0221

Non fondée Fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Pas de décision du directeur
MEDISCH – INTERNE RECHTSPOSITIE

Klager heeft beroep aangetekend tegen de beslissing van de klachtencommissie op twee vlakken.

Enerzijds heeft de klachtencommissie een klacht van klager over medische problemen in verband met zijn oog niet-ontvankelijk verklaard. De beroepscommissie verwijst naar BC/24-0436 en zet uiteen, anders dan de klachtencommissie heeft geoordeeld, waarom op ontvankelijke wijze beklag kan worden ingesteld wanneer de directie niet tegemoetkomt aan het recht op (gespecialiseerde) geneeskundige verzorging. Op het inrichtingshoofd rust de verplichting om de nodige maatregelen te nemen opdat, wanneer de medische dienst dit nodig acht, een gedetineerde de nodige geneeskundige verzorging krijgt, hetzij in de inrichting zelf, hetzij, wanneer dit niet mogelijk is, buiten de inrichting. Hoewel de ontvankelijkheid van de klacht niet principieel uitgesloten is, is de beroepscommissie er echter niet van overtuigd dat de klacht van klager voldoet aan het vereiste dat concreet ten aanzien van hem de directie verzuimde de beslissing te nemen waartoe zij gehouden was. Het beroep is ontvankelijk, maar niet gegrond.

Anderzijds heeft de klachtencommissie een klacht over het stelselmatig openen van klagers celdeur met twee beambten gedurende een bepaalde periode niet-ontvankelijk verklaard. De klachtencommissie heeft naar het oordeel van de beroepscommissie echter ten onrechte geoordeeld dat er sprake was van ‘feitelijk handelen’ dat bovendien niet in verbinding zou kunnen worden gebracht met een beslissing van de directeur. In één van zijn klachtenformulieren stelde klager dat er door de directie was beslist om een gele bol op zijn celdeur te hangen. De directie heeft in haar verweer voor de klachtencommissie uitdrukkelijk bevestigd: “de directeur heeft daarom besloten […]”. Deze klacht was zodoende duidelijk gericht tegen een in artikel 148, eerste lid Basiswet bedoelde ‘beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van klager was genomen’. Uit niets blijkt echter dat deze beslissing enige impact heeft gehad op klagers detentieregime of hem op enige wijze zou hebben beperkt in zijn normale doen en laten. Klager blijkt geen enkel nadeel te hebben ondervonden door deze beslissing. De beroepscommissie ziet dan ook niet in waarom deze beslissing onwettig, onredelijk of onbillijk zou zijn. Het beroep is ontvankelijk en slechts gegrond in de mate dat de initiële klacht van klager ontvankelijk, maar niet gegrond was en niet, zoals de klachtencommissie heeft beslist, niet-ontvankelijk was.