BC/25-0148
Fondée
Beroepscommissie
Commission d'Appel
Régime de sécurité particulier individuel
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME - ONTVANKELIJKHEID - SUBSIDIARITEIT
Zonder een daadwerkelijke exceptie van onontvankelijkheid op te werpen, suggereert de directeur-generaal dat het beroepschrift niet ontvankelijk kan zijn, nu het ogenschijnlijk werd ingediend op 26 mei 2025, terwijl de bestreden beslissing pas op 28 mei 2025 werd genomen. De beroepscommissie stelt echter vast dat er sprake is van twee beroepschriften die beide aan de directeur-generaal werden overgemaakt.
Los van de vraag of hij met het initiële beroepschrift in feite de laatste BVM viseerde, ontving de beroepscommissie op 11 juni alleszins een navolgend beroepschrift dat op 5 juni door de maandcommissaris werd overgemaakt.
In dit navolgende beroepschrift viseert beroepsindiener duidelijk de beslissing tot plaatsing in IBVR van 28 mei 2025. Aangezien hij het beroepschrift opstelde op 30 mei 2025, is het beroep aldus tijdig ingediend.
Het beroep werd voor het overige op de juiste wijze ingediend, zodat het ontvankelijk is.
Wat betreft de grond van de zaak, besluit de beroepscommissie dat er geen sprake is van een ‘voortdurende bedreiging voor de veiligheid’ in de zin van artikel 116 van de basiswet, minstens dat het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel werd geschonden. De beroepscommissie stelt immers vast dat de stukken die zij gadeslaat veeleer gewag maken van een verstoring van de orde op de sectie, dan van de veiligheid. Beroepsindiener werd zonder specifieke motivering voor de maximumtermijn van 2 maanden onder IBVR geplaatst, terwijl de orde (en veiligheid) mogelijk ook kon worden gevrijwaard door beroepsindiener op een andere sectie te plaatsen. Bovendien wordt er ten onrechte verwezen naar beroepsindieners bezorgdheid voor de eigen veiligheid, nu hij reeds in het kader van de voorgaande BVM verhoren aangaf geen vrees meer te koesteren voor zijn eigen veiligheid.
Zonder een daadwerkelijke exceptie van onontvankelijkheid op te werpen, suggereert de directeur-generaal dat het beroepschrift niet ontvankelijk kan zijn, nu het ogenschijnlijk werd ingediend op 26 mei 2025, terwijl de bestreden beslissing pas op 28 mei 2025 werd genomen. De beroepscommissie stelt echter vast dat er sprake is van twee beroepschriften die beide aan de directeur-generaal werden overgemaakt.
Los van de vraag of hij met het initiële beroepschrift in feite de laatste BVM viseerde, ontving de beroepscommissie op 11 juni alleszins een navolgend beroepschrift dat op 5 juni door de maandcommissaris werd overgemaakt.
In dit navolgende beroepschrift viseert beroepsindiener duidelijk de beslissing tot plaatsing in IBVR van 28 mei 2025. Aangezien hij het beroepschrift opstelde op 30 mei 2025, is het beroep aldus tijdig ingediend.
Het beroep werd voor het overige op de juiste wijze ingediend, zodat het ontvankelijk is.
Wat betreft de grond van de zaak, besluit de beroepscommissie dat er geen sprake is van een ‘voortdurende bedreiging voor de veiligheid’ in de zin van artikel 116 van de basiswet, minstens dat het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel werd geschonden. De beroepscommissie stelt immers vast dat de stukken die zij gadeslaat veeleer gewag maken van een verstoring van de orde op de sectie, dan van de veiligheid. Beroepsindiener werd zonder specifieke motivering voor de maximumtermijn van 2 maanden onder IBVR geplaatst, terwijl de orde (en veiligheid) mogelijk ook kon worden gevrijwaard door beroepsindiener op een andere sectie te plaatsen. Bovendien wordt er ten onrechte verwezen naar beroepsindieners bezorgdheid voor de eigen veiligheid, nu hij reeds in het kader van de voorgaande BVM verhoren aangaf geen vrees meer te koesteren voor zijn eigen veiligheid.