Ga verder naar de inhoud

BC/25-0137

Fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Régime de sécurité particulier individuel
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME - HOORPLICHT - VERTROUWELIJKE INFORMATIE

Beroepsindiener kan worden gevolgd wanneer hij zich niet van de indruk kan ontdoen dat het in feite de directeur-generaal zelf is die het voorstel formuleerde, op grond van door haar ontvangen vertrouwelijke informatie, waarvan de directeur zelf klaarblijkelijk niet op de hoogte is. De beroepscommissie stelt daarnaast vast dat ook het psycho-medisch verslag deze vaststelling bevestigt, nu daarin wordt verwezen naar de artikelen 117 §2 en 118, § 3/1 van de basiswet en het de directeur-generaal zelf is die de psychiater opvordert.

Hoewel de directeur-generaal dit thans in haar verweer afdoet als een louter materiële vergissing en beklemtoont dat voormelde artikelen niet van toepassing zijn op beroepsindiener, kan de beroepscommissie er niet aan voorbijgaan, gelet op de andere vaststellingen die wijzen op een verdoken toepassing van de artikelen 117 §2 en 118, § 3/1 van de basiswet, waarbij de directeur-generaal de touwtjes achter de schermen in handen heeft.
Dergelijke procedure, waarbij de directeur-generaal zelf aan het roer zit en zich laat adviseren door de federale procureur of de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, is echter enkel voorzien voor de plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime in toepassing van paragraaf 3/1 van artikel 118 van de basiswet.

De beroepscommissie herinnert eraan dat de directeur-generaal in de ‘klassieke’ procedure overeenkomstig art. 116 §1 en 118 §§1-3 van de basiswet geen zwaarder regime kan opleggen dat voorgesteld door de directeur.
Hoewel het initiële voorstel van de directeur weliswaar dezelfde maatregelen bevatte als in de bestreden beslissing worden weerhouden, gaat de directeur-generaal er zonder meer aan voorbij dat de directeur het voorstel mondeling introk.

Dat er mogelijk sprake is van andersluidende vertrouwelijke informatie waarvan enkel de directeur-generaal kennis blijkt te hebben, doet niets af aan het feit dat beroepsindiener zijn hoorrecht ten volle moet kunnen uitoefenen. Indien immers de directeur de hoorzitting niet had afgesloten met de stelling dat hij het standpunt van beroepsindiener volgt, had beroepsindiener de gelegenheid kunnen aangrijpen om verdere verweermiddelen te laten gelden.
Het kan beroepsindiener met andere woorden niet worden verweten dat hij zich niet verder verweerde, nadat de directie haar voorstel -minstens impliciet- introk.

De beroepscommissie herhaalt andermaal dat de uitzondering op de motiveringsplicht uit artikel 8 van de basiswet met de grootste omzichtigheid dient te worden toegepast.Dit geldt evenzeer voor de procedure uit art. 116 §1 en 118 §§1-3 van de basiswet, waarbij de directeur-generaal zelf aan het roer zit. Thans besluit de beroepscommissie dat er opnieuw sprake is van een schending van de hoorplicht en het recht op tegenspraak, thans in samenhang met de beginselen van fair play, rechtszekerheid en zorgvuldigheid.