Ga verder naar de inhoud

BC/25-0129

Non fondée Beroepscommissie Commission d'Appel
BRIEFWISSELING - INTRA MUROS

De klacht is gericht tegen de beslissing van de directeur van 14 maart 2025 om een door klager aan een -in dezelfde gevangenis verblijvende- medegedetineerde via de buitenpost verstuurde brief niet te bezorgen.

In casu betreft het strikt genomen geen contacten extra muros, aangezien de bestemmeling van de brief een medegedetineerde is die zich, intra muros, in dezelfde gevangenis bevindt.
Beide bepalingen gelden echter evenzeer voor briefwisseling tussen gedetineerden.

Aangezien de betrokken briefwisseling tussen gedetineerden plaatsvindt, zijn er twee controlemomenten mogelijk: voor de verzending door de afzender-gedetineerde en voor de overhandiging aan de bestemmeling-gedetineerde. Voor uitgaande briefwisseling geldt evenwel een principieel controleverbod, behoudens “geïndividualiseerde aanwijzingen dat controle noodzakelijk is in het belang van de orde of de veiligheid”.
Inkomende briefwisseling kan daarentegen worden onderworpen aan een specifieke controle, voor zover deze betrekking heeft op de aanwezigheid van de aan de briefwisseling vreemde voorwerpen of substanties. Deze controle laat het lezen van de brief evenwel niet toe, “tenzij er geïndividualiseerde aanwijzingen bestaan dat dit noodzakelijk is voor de handhaving van de orde of de veiligheid”.

Het inrichtingshoofd kan niet op ernstige wijze beweren dat er sprake is van het doorgeven van ‘persoonlijke’ informatie van een personeelslid, nu de woordvoerster en het bijhorende gsm nummer publiekelijk raadpleegbaar is op de website van de FOD Justitie.
Er kan dan ook bezwaarlijk sprake zijn van een veiligheidsrisico wanneer een publiek gemaakt telefoonnumer zou gaan ‘circuleren’ onder gedetineerden, al was het maar omdat deze gegevens evenzeer via een advocaat of een bezoeker de gedetineerde zouden kunnen bereiken.

De beroepscommissie nam voorts ook kennis van de integrale inhoud van de brief die aan het administratief dossier werd toegevoegd en waarin geen enkele dreigende taal kan worden ontwaard. De inhoud doet zich slechts voor als een voor het overige onschuldig schrijven tussen twee gedetineerden die elkaar wegwijs trachten te maken in de interneringsprocedure.
Los van de vraag of de brief überhaupt gelezen had mogen worden, is het aldus in elk geval onredelijk om de voorliggende brief niet te bezorgen aan de medegedetineerde, omdat de inhoud geen blijk geeft van een volstrekte noodzaak voor de handhaving van de orde of de veiligheid in de zin van artikel 55 §2 van de basiswet.
Er werd een klachtendossier met referentie KC06/25-0093 opgestart