ONTVANKELIJKHEID - CELCONTROLE - UITVOERING
Het inrichtingshoofd stelt alleen beroep in tegen uitspraak van de klachtencommissie in de mate dat die de klacht over de (uitvoering van de) celcontrole ontvankelijk (en gegrond) verklaarde.
Zij verwijst thans in haar beroepschrift in het bijzonder naar het arrest nr. 262.903 van 3 april 2025 van de Raad van State, die de Franstalige beroepscommissie wat betreft haar uitspraak van 2 februari 2024 (CA/23-0283) terugfloot omtrent haar oordeel dat tegen de wijze van uitvoering van een onderzoek van de verblijfsruimte (artikel 109 van de basiswet) beklag kan worden gedaan.
Volgens de Raad van State wordt het materiële toepassingsgebied van het beklagrecht niet uitgehold en kan de wijze van uitvoering van een beslissing wel voor de gewone rechter (“le juge judiciaire”) worden aangevochten.
Met die beslissing hanteert de Franstalige kamer van de Raad van State een tekstuele of exegetische lezing van het artikel 148 van de basiswet, waarbij ogenschijnlijk geen rekening wordt gehouden met de ratio legis van de basiswet.
Een wetshistorische en teleologische interpretatie van het artikel 148 van de basiswet laat de beroepscommissie wel toe om te oordelen dat de ‘(maatregelen tot) uitvoering van een beslissing’ ook beslissingen kunnen uitmaken in de zin van artikel 148 van de basiswet, alsook de klachtencommissie te bevestigen in haar oordeel dat de uitvoering van een celcontrole (“overeenkomstig de richtlijnen van het inrichtingshoofd door de leden van het bewakingspersoneel”) integraal deel uitmaakt van de beslissing van de directeur tot het opleggen ervan, zodat hier ook beklag tegen openstaat.
Zonder afbreuk te willen doen aan het gezag van de Franstalige kamer van het hoogste administratieve rechtscollege (en hoewel de Franstalige beroepscommissie zich intussen conformeerde aan dit standpunt) , stelt de Nederlandstalige beroepscommissie vast dat de klachtencommissies verdeeld blijven en kan zij zich om bovenstaande redenen dan ook niet scharen achter dit vooralsnog alleenstaande arrest van 3 april 2025 waarin een zuiver tekstuele of exegetische uitlegging werd gedaan van het artikel 148 van de basiswet.
Het inrichtingshoofd stelt alleen beroep in tegen uitspraak van de klachtencommissie in de mate dat die de klacht over de (uitvoering van de) celcontrole ontvankelijk (en gegrond) verklaarde.
Zij verwijst thans in haar beroepschrift in het bijzonder naar het arrest nr. 262.903 van 3 april 2025 van de Raad van State, die de Franstalige beroepscommissie wat betreft haar uitspraak van 2 februari 2024 (CA/23-0283) terugfloot omtrent haar oordeel dat tegen de wijze van uitvoering van een onderzoek van de verblijfsruimte (artikel 109 van de basiswet) beklag kan worden gedaan.
Volgens de Raad van State wordt het materiële toepassingsgebied van het beklagrecht niet uitgehold en kan de wijze van uitvoering van een beslissing wel voor de gewone rechter (“le juge judiciaire”) worden aangevochten.
Met die beslissing hanteert de Franstalige kamer van de Raad van State een tekstuele of exegetische lezing van het artikel 148 van de basiswet, waarbij ogenschijnlijk geen rekening wordt gehouden met de ratio legis van de basiswet.
Een wetshistorische en teleologische interpretatie van het artikel 148 van de basiswet laat de beroepscommissie wel toe om te oordelen dat de ‘(maatregelen tot) uitvoering van een beslissing’ ook beslissingen kunnen uitmaken in de zin van artikel 148 van de basiswet, alsook de klachtencommissie te bevestigen in haar oordeel dat de uitvoering van een celcontrole (“overeenkomstig de richtlijnen van het inrichtingshoofd door de leden van het bewakingspersoneel”) integraal deel uitmaakt van de beslissing van de directeur tot het opleggen ervan, zodat hier ook beklag tegen openstaat.
Zonder afbreuk te willen doen aan het gezag van de Franstalige kamer van het hoogste administratieve rechtscollege (en hoewel de Franstalige beroepscommissie zich intussen conformeerde aan dit standpunt) , stelt de Nederlandstalige beroepscommissie vast dat de klachtencommissies verdeeld blijven en kan zij zich om bovenstaande redenen dan ook niet scharen achter dit vooralsnog alleenstaande arrest van 3 april 2025 waarin een zuiver tekstuele of exegetische uitlegging werd gedaan van het artikel 148 van de basiswet.