BC/25-0095
Fondée
Beroepscommissie
Commission d'Appel
Autre décision directeur
RECHT OP EEN EIGEN ARTS - TOESTEMMING DIRECTEUR - MEDISCH HULPMIDDEL - ZORGPLICHT
Klager gaat in geen enkel middel in op het hoofdargument van appellant, het inrichtingshoofd, dat klager naliet om haar toestemming te vragen met betrekking tot een specifieke arts en dat de klachtencommissie hieraan voorbij ging. De toepassing van artikel 96 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen , veronderstelt inderdaad vanzelfsprekend dat klager minstens de identiteit van de eigen gekozen geneesheer dient kenbaar te maken. Bij gebreke van deze informatie kon het inrichtingshoofd de vereiste toestemming niet geven. Hetzelfde gaat op voor de inschatting van een eventueel probleem van orde en veiligheid die een weigering van deze welbepaalde arts zouden kunnen rechtvaardigen overeenkomstig het bepaalde in de ministeriële omzendbrief nr. 1495 van 16 oktober 1985.
(....)
Bij gebreke van een concreet bewijs dat reeds eerder een verzoek werd ingediend om een welbepaalde arts te raadplegen, kan de directeur niet worden verweten geen toestemming te hebben gegeven voor de toegang van de zelf gekozen arts.
(...)
Het inrichtingshoofd kan dan ook worden gevolgd dat de klachtencommissie eraan is voorbij gegaan dat klager, voor het indienen van zijn klacht, nog geen formele en concrete aanvraag voor een welbepaalde arts naar eigen keuze had ingediend.
Zij kon vervolgens bezwaarlijk op algemene wijze stellen “de arts van klager’ zonder meer toegang moeten krijgen, nu het aan de directie is om de inschatting te maken in het licht van de concrete identiteit en de orde en de veiligheid.
(...)
Wat betreft het beenmassagetoestel wijst het inrichtingshoofd er op dat de inrichtingsarts enkel advies gaf voor een voetmassagetoestel, zodat het beenmassagetoestel niet als medisch hulpmiddel worden beschouwd.
Klager kan niet ernstig voorhouden dat dergelijk advies niet werd bijgebracht, nu hij zelf aangeeft dat de inrichtingsarts het beenmassagetoestel weigerde.
Het stond beroepsindiener vrij om, zoals hij zelf aangeeft, een externe arts te raadplegen die een andersluidend advies bijbrengt waaruit volgt dat er wel een medische noodzaak is voor een beenmassagetoestel.
Dit laatste veronderstelt evenwel dat – zoals boven uiteengezet – een concreet verzoek in die zin werd ingediend om de nodige toestemming te bekomen.
(...)
De beroepscommissie besluit dat de klachtencommissie niet kon oordelen dat de directie een onredelijke beslissing had genomen, laat staan hier een tekortkoming aan de zorgplicht te koppelen.
Evenmin is er sprake van de door beroepsindiener aangevoerde schending van artikel 3 EVRM, nu beroepsindiener op geen enkele manier aantoont dat hij een formele aanvraag indiende om een welbepaalde arts te raadplegen die desgevallend een andersluidend advies zou hebben uitgebracht over de kwalificatie als medisch hulpmiddel
Klager gaat in geen enkel middel in op het hoofdargument van appellant, het inrichtingshoofd, dat klager naliet om haar toestemming te vragen met betrekking tot een specifieke arts en dat de klachtencommissie hieraan voorbij ging. De toepassing van artikel 96 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen , veronderstelt inderdaad vanzelfsprekend dat klager minstens de identiteit van de eigen gekozen geneesheer dient kenbaar te maken. Bij gebreke van deze informatie kon het inrichtingshoofd de vereiste toestemming niet geven. Hetzelfde gaat op voor de inschatting van een eventueel probleem van orde en veiligheid die een weigering van deze welbepaalde arts zouden kunnen rechtvaardigen overeenkomstig het bepaalde in de ministeriële omzendbrief nr. 1495 van 16 oktober 1985.
(....)
Bij gebreke van een concreet bewijs dat reeds eerder een verzoek werd ingediend om een welbepaalde arts te raadplegen, kan de directeur niet worden verweten geen toestemming te hebben gegeven voor de toegang van de zelf gekozen arts.
(...)
Het inrichtingshoofd kan dan ook worden gevolgd dat de klachtencommissie eraan is voorbij gegaan dat klager, voor het indienen van zijn klacht, nog geen formele en concrete aanvraag voor een welbepaalde arts naar eigen keuze had ingediend.
Zij kon vervolgens bezwaarlijk op algemene wijze stellen “de arts van klager’ zonder meer toegang moeten krijgen, nu het aan de directie is om de inschatting te maken in het licht van de concrete identiteit en de orde en de veiligheid.
(...)
Wat betreft het beenmassagetoestel wijst het inrichtingshoofd er op dat de inrichtingsarts enkel advies gaf voor een voetmassagetoestel, zodat het beenmassagetoestel niet als medisch hulpmiddel worden beschouwd.
Klager kan niet ernstig voorhouden dat dergelijk advies niet werd bijgebracht, nu hij zelf aangeeft dat de inrichtingsarts het beenmassagetoestel weigerde.
Het stond beroepsindiener vrij om, zoals hij zelf aangeeft, een externe arts te raadplegen die een andersluidend advies bijbrengt waaruit volgt dat er wel een medische noodzaak is voor een beenmassagetoestel.
Dit laatste veronderstelt evenwel dat – zoals boven uiteengezet – een concreet verzoek in die zin werd ingediend om de nodige toestemming te bekomen.
(...)
De beroepscommissie besluit dat de klachtencommissie niet kon oordelen dat de directie een onredelijke beslissing had genomen, laat staan hier een tekortkoming aan de zorgplicht te koppelen.
Evenmin is er sprake van de door beroepsindiener aangevoerde schending van artikel 3 EVRM, nu beroepsindiener op geen enkele manier aantoont dat hij een formele aanvraag indiende om een welbepaalde arts te raadplegen die desgevallend een andersluidend advies zou hebben uitgebracht over de kwalificatie als medisch hulpmiddel
Er werd een klachtendossier met referentie KC06/24-0153 opgestart