BC/25-0091
Non fondée
Beroepscommissie
Commission d'Appel
Mesure provisoire
Mesure de sécurité particulière
VOORLOPIGE MAATREGEL - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL
Er was geen aanleiding tot het opleggen van een voorlopige maatregel in afwachting van de tuchtprocedure omdat aan de klager geen tuchtrechtelijke inbreuk werd verweten. De voorlopige maatregel ontbeert een wettelijke grondslag.
Artikel 110, § 1 van de Basiswet voorziet in de mogelijkheid om “wanneer er ernstige aanwijzingen bestaan van een gevaar voor de orde of de veiligheid, ten aanzien van een gedetineerde” bijzondere veiligheidsmaatregelen te bevelen. Artikel 110, § 1 verwoordt niet uitdrukkelijk dat de gedetineerde zelf een gevaar voor de orde of de veiligheid moet uitmaken. Dit is wel het geval in artikel 116 van de Basiswet dat bepaalt onder welke voorwaarden een individueel bijzonder veiligheidsregime kan worden opgelegd – een regime dat wordt opgelegd wanneer is gebleken dat de controlemaatregelen en de bijzondere veiligheidsmaatregelen ontoereikend zijn. Artikel 116 stelt immers als voorwaarde dat “uit concrete omstandigheden of uit de gedragingen van een gedetineerde blijkt dat hij een voortdurende bedreiging uitmaakt voor de veiligheid”: het is ‘hij’, de gedetineerde, die een bedreiging uitmaakt voor de veiligheid en dat kan blijken uit de concrete omstandigheden of zijn gedragingen. Al bepaalt artikel 110, § 1 niet uitdrukkelijk dat het gevaar voor de orde of de veiligheid van de gedetineerde moet uitgaan, is dit niettemin een correcte interpretatie in het licht van de vaststelling dat de opgelegde bijzondere veiligheidsmaatregelen – in het bijzonder het verplicht verblijf in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte of de onderbrenging in een beveiligde cel – voor de gedetineerde een ernstige beperking van zijn levensvoorwaarden in de gevangenis kunnen meebrengen.
Dit is ook de interpretatie in de ministeriële omzendbrief nr. 1792 van 11 januari 2007 betreffende ‘Basiswet – Titel VI: orde, veiligheid en gebruik van dwang’. Deze ministeriële omzendbrief stelt de bijzondere veiligheidsmaatregelen en het individueel bijzonder veiligheidsregime op dezelfde hoogte: “De bijzondere veiligheidsmaatregelen en de plaatsing in het individueel bijzonder veiligheidsregime zijn maatregelen die van toepassing zijn op een gedetineerde in het bijzonder, om redenen die hem eigen zijn. (…) Zij hebben als doel een aangepast en proportioneel antwoord te bieden op een situatie waarin de orde of de veiligheid binnen de gevangenis bedreigd wordt door een gedetineerde die er het voorwerp van uitmaakt. Aangezien het gaat om een individuele beslissing, moet zij gemotiveerd zijn. De motivering van de beslissing moet aantonen dat er een bedreiging bestaat, dat de bedreiging afkomstig is van de gedetineerde, dat de genomen maatregel aangepast is aan de aard van de bedreiging en in verhouding staat tot de ernst ervan”. De collectieve brief nr. 156 van 14 augustus 2020 (‘Basiswet – Titel VI: orde, veiligheid en gebruik van dwang’) – die de bestaande instructies (waaronder de ministeriële omzendbrief nr. 1792, zoals gewijzigd door de omzendbrieven 1792bis en 1792ter) actualiseert en bundelt – herneemt de hierboven geciteerde toelichting (op p. 5). Opdat een bijzondere veiligheidsmaatregel kan worden opgelegd, is bijgevolg vereist dat de bedreiging afkomstig is van de gedetineerde (in de Franse versie van de collectieve brief: “que (la menace) est le fait du détenu”). Deze interpretatie wordt ook bevestigd door de voorgeschreven bijlage 2 voor de ‘beslissing tot toepassing van een bijzondere veiligheidsmaatregel’ dat de volgende standaardoverweging bevat: “Gelet op de volgende elementen die kenmerkend zijn aan de gedetineerde, die hem werden uiteengezet op het ogenblik dat hij door de directeur werd gehoord (…)”.)
De beroepscommissie wil geenszins uitsluiten dat het gevaar voor de orde of de veiligheid dat voortvloeit uit een conflictsituatie tussen twee gedetineerden, aan beide gedetineerden wordt toegerekend. Uit de motivering van de bijzondere veiligheidsmaatregel die in zo een geval ten aanzien van een betrokken gedetineerde wordt genomen, moet dan wel blijken op grond van welke aanwijzingen wordt geoordeeld dat dit gevaar (mede) van die gedetineerde afkomstig is. De loutere vaststelling dat de fysieke veiligheid van één van beide gedetineerden moet worden gevrijwaard, zonder vast te stellen op grond van welke aanwijzingen dit gevaar ook van die gedetineerde afkomstig is, volstaat niet om ook die gedetineerde onder een bijzondere veiligheidsmaatregel te plaatsen.
Er was geen aanleiding tot het opleggen van een voorlopige maatregel in afwachting van de tuchtprocedure omdat aan de klager geen tuchtrechtelijke inbreuk werd verweten. De voorlopige maatregel ontbeert een wettelijke grondslag.
Artikel 110, § 1 van de Basiswet voorziet in de mogelijkheid om “wanneer er ernstige aanwijzingen bestaan van een gevaar voor de orde of de veiligheid, ten aanzien van een gedetineerde” bijzondere veiligheidsmaatregelen te bevelen. Artikel 110, § 1 verwoordt niet uitdrukkelijk dat de gedetineerde zelf een gevaar voor de orde of de veiligheid moet uitmaken. Dit is wel het geval in artikel 116 van de Basiswet dat bepaalt onder welke voorwaarden een individueel bijzonder veiligheidsregime kan worden opgelegd – een regime dat wordt opgelegd wanneer is gebleken dat de controlemaatregelen en de bijzondere veiligheidsmaatregelen ontoereikend zijn. Artikel 116 stelt immers als voorwaarde dat “uit concrete omstandigheden of uit de gedragingen van een gedetineerde blijkt dat hij een voortdurende bedreiging uitmaakt voor de veiligheid”: het is ‘hij’, de gedetineerde, die een bedreiging uitmaakt voor de veiligheid en dat kan blijken uit de concrete omstandigheden of zijn gedragingen. Al bepaalt artikel 110, § 1 niet uitdrukkelijk dat het gevaar voor de orde of de veiligheid van de gedetineerde moet uitgaan, is dit niettemin een correcte interpretatie in het licht van de vaststelling dat de opgelegde bijzondere veiligheidsmaatregelen – in het bijzonder het verplicht verblijf in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte of de onderbrenging in een beveiligde cel – voor de gedetineerde een ernstige beperking van zijn levensvoorwaarden in de gevangenis kunnen meebrengen.
Dit is ook de interpretatie in de ministeriële omzendbrief nr. 1792 van 11 januari 2007 betreffende ‘Basiswet – Titel VI: orde, veiligheid en gebruik van dwang’. Deze ministeriële omzendbrief stelt de bijzondere veiligheidsmaatregelen en het individueel bijzonder veiligheidsregime op dezelfde hoogte: “De bijzondere veiligheidsmaatregelen en de plaatsing in het individueel bijzonder veiligheidsregime zijn maatregelen die van toepassing zijn op een gedetineerde in het bijzonder, om redenen die hem eigen zijn. (…) Zij hebben als doel een aangepast en proportioneel antwoord te bieden op een situatie waarin de orde of de veiligheid binnen de gevangenis bedreigd wordt door een gedetineerde die er het voorwerp van uitmaakt. Aangezien het gaat om een individuele beslissing, moet zij gemotiveerd zijn. De motivering van de beslissing moet aantonen dat er een bedreiging bestaat, dat de bedreiging afkomstig is van de gedetineerde, dat de genomen maatregel aangepast is aan de aard van de bedreiging en in verhouding staat tot de ernst ervan”. De collectieve brief nr. 156 van 14 augustus 2020 (‘Basiswet – Titel VI: orde, veiligheid en gebruik van dwang’) – die de bestaande instructies (waaronder de ministeriële omzendbrief nr. 1792, zoals gewijzigd door de omzendbrieven 1792bis en 1792ter) actualiseert en bundelt – herneemt de hierboven geciteerde toelichting (op p. 5). Opdat een bijzondere veiligheidsmaatregel kan worden opgelegd, is bijgevolg vereist dat de bedreiging afkomstig is van de gedetineerde (in de Franse versie van de collectieve brief: “que (la menace) est le fait du détenu”). Deze interpretatie wordt ook bevestigd door de voorgeschreven bijlage 2 voor de ‘beslissing tot toepassing van een bijzondere veiligheidsmaatregel’ dat de volgende standaardoverweging bevat: “Gelet op de volgende elementen die kenmerkend zijn aan de gedetineerde, die hem werden uiteengezet op het ogenblik dat hij door de directeur werd gehoord (…)”.)
De beroepscommissie wil geenszins uitsluiten dat het gevaar voor de orde of de veiligheid dat voortvloeit uit een conflictsituatie tussen twee gedetineerden, aan beide gedetineerden wordt toegerekend. Uit de motivering van de bijzondere veiligheidsmaatregel die in zo een geval ten aanzien van een betrokken gedetineerde wordt genomen, moet dan wel blijken op grond van welke aanwijzingen wordt geoordeeld dat dit gevaar (mede) van die gedetineerde afkomstig is. De loutere vaststelling dat de fysieke veiligheid van één van beide gedetineerden moet worden gevrijwaard, zonder vast te stellen op grond van welke aanwijzingen dit gevaar ook van die gedetineerde afkomstig is, volstaat niet om ook die gedetineerde onder een bijzondere veiligheidsmaatregel te plaatsen.
Er werd een klachtendossier met referentie KC34/25-0002 opgestart