TUCHT - MOTIVERING - HUISHOUDELIJK REGLEMENT - KLEDIJ - SUBSIDIARITEIT
1. De tuchtbeslissing vermeldt niet uitdrukkelijk de bepalingen van het huishoudelijk reglement die niet werden nageleefd. Een formele motivering vereist echter niet noodzakelijk een vermelding van de precieze artikelen van de toegepaste regelgeving indien de betrokkene uit de beslissing met zekerheid kan afleiden om welke bepalingen het gaat. Aangezien de motieven van de directie aan de klager bekend waren, had hij in geen geval belang bij de aanvoering dat aan de formelemotiveringsplicht niet werd tegemoetgekomen.
2. Het huishoudelijk reglement vermeldt niet de djellaba als kledingstuk dat in de gevangenis is toegelaten of dat de gedetineerde op cel mag hebben. Het bezit van een djellaba door de klager in zijn verblijfsruimte was klaarblijkelijk wel toegelaten. De vraag of een djellaba buiten de individuele verblijfsruimte mag worden gedragen, wordt niet expliciet in het huishoudelijk reglement geregeld. Het huishoudelijk reglement bevat wel talrijke gedetailleerde bepalingen over het dragen van eigen kledij. Een lezing van de bepalingen van het huishoudelijk reglement in hun onderling verband, laat alleen de conclusie toe dat het dragen van een djellaba niet toegelaten is omdat dit kledingstuk niet als eigen kledij is toegelaten. Maar omdat de klager wél over een djellaba mocht beschikken en de bepaling van het huishoudelijk reglement over de ‘eigen kledij’ op cel dus klaarblijkelijk niet werd toegepast, kon de bepaling in het huishoudelijk reglement over het dragen van eigen kledij evenmin een antwoord bieden op de vraag of een djellaba in de gevangenis mag worden gedragen. De conclusie is dan ook dat een objectieve lezing van het huishoudelijk reglement, in samenhang met de vaststelling dat de klager wel een djellaba als ‘persoonlijke kledij’ op cel mocht hebben, geen voldoende duidelijk verbod op het dragen van een djellaba impliceert. De tuchtrechtelijke inbreuk “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” kan niet behouden blijven.
3. De vaststelling dat bij een objectieve lezing van het huishoudelijk reglement, in samenhang met de vaststelling dat de klager wel een djellaba in het bezit mocht hebben, het dragen van een djellaba niet verboden is, belet niet dat de directie daarover een ander standpunt had en dat de pba overeenkomstig die opvatting de klager kon aanmanen de djellaba niet buiten de eigen cel te dragen. Ook al vond de aanmaning van de pba geen steun in de lezing waartoe de beroepscommissie beslist, dat maakte die aanmaning nog niet zodanig onrechtmatig dat de klager aan die aanmaning geen gehoor moest geven. De pba verbood de klager immers niet om de djellaba mee naar de gebedsruimte te nemen. De laatste aanmaning van de pba aan de klager was om desnoods de djellaba in zijn short te steken. Dit waren geen aanmaningen die de klager als flagrant onrechtmatig of ernstig nadelig terzijde mocht schuiven. De tuchtrechtelijke inbreuk “het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel” blijft bewezen.
4. Bij de beoordeling van de vraag of de feiten een tuchtrechtelijk gevolg vereisen, beschikt de directeur weliswaar over een ruime discretionaire bevoegdheid. Voor zover de beslissing van de directeur niet de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat, komt het de klachten- of beroepscommissie niet toe haar eigen beoordeling van de noodzaak van tuchtrechtelijke handhaving in de plaats te stellen van de beoordeling van de directeur, ook al zou de klachten- of beroepscommissie van oordeel zijn dat een andere wijze van conflictafhandeling meer opportuun was. In de gegeven omstandigheden was het opstarten van de tuchtrechtelijke vervolging voor het negeren van de aanmaning of het bevel van het personeel evenwel kennelijk onredelijk.
Het negeren van de aanmaning van de beambte vond plaats in een context waarin het voor de klager niet duidelijk was of zijn gedrag al dan niet met het huishoudelijk reglement in overeenstemming was en de directie nog niet de verduidelijking had gegeven die van haar werd verwacht en die zij ook had aangekondigd. Het negeren van het bevel van de pba had geen enkel gevolg voor de veiligheid in de gevangenis. Het verstoorde alleen de orde in de verhouding tussen de klager en de pba want bij het negeren van het bevel waren geen andere gedetineerden of personeelsleden betrokken. De verdere handhaving van de orde werd bewerkstelligd door de dienstnota die de directie enkele dagen na de tuchtbeslissing nam. De handhaving van de orde en de veiligheid van de inrichting rechtvaardigde derhalve manifest niet een tuchtvervolging, noch was de tuchtvervolging redelijkerwijze het enige middel om de orde in de inrichting te verzekeren. Op die gronden vernietigt de beroepscommissie de tuchtrechtelijke sanctie.
1. De tuchtbeslissing vermeldt niet uitdrukkelijk de bepalingen van het huishoudelijk reglement die niet werden nageleefd. Een formele motivering vereist echter niet noodzakelijk een vermelding van de precieze artikelen van de toegepaste regelgeving indien de betrokkene uit de beslissing met zekerheid kan afleiden om welke bepalingen het gaat. Aangezien de motieven van de directie aan de klager bekend waren, had hij in geen geval belang bij de aanvoering dat aan de formelemotiveringsplicht niet werd tegemoetgekomen.
2. Het huishoudelijk reglement vermeldt niet de djellaba als kledingstuk dat in de gevangenis is toegelaten of dat de gedetineerde op cel mag hebben. Het bezit van een djellaba door de klager in zijn verblijfsruimte was klaarblijkelijk wel toegelaten. De vraag of een djellaba buiten de individuele verblijfsruimte mag worden gedragen, wordt niet expliciet in het huishoudelijk reglement geregeld. Het huishoudelijk reglement bevat wel talrijke gedetailleerde bepalingen over het dragen van eigen kledij. Een lezing van de bepalingen van het huishoudelijk reglement in hun onderling verband, laat alleen de conclusie toe dat het dragen van een djellaba niet toegelaten is omdat dit kledingstuk niet als eigen kledij is toegelaten. Maar omdat de klager wél over een djellaba mocht beschikken en de bepaling van het huishoudelijk reglement over de ‘eigen kledij’ op cel dus klaarblijkelijk niet werd toegepast, kon de bepaling in het huishoudelijk reglement over het dragen van eigen kledij evenmin een antwoord bieden op de vraag of een djellaba in de gevangenis mag worden gedragen. De conclusie is dan ook dat een objectieve lezing van het huishoudelijk reglement, in samenhang met de vaststelling dat de klager wel een djellaba als ‘persoonlijke kledij’ op cel mocht hebben, geen voldoende duidelijk verbod op het dragen van een djellaba impliceert. De tuchtrechtelijke inbreuk “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” kan niet behouden blijven.
3. De vaststelling dat bij een objectieve lezing van het huishoudelijk reglement, in samenhang met de vaststelling dat de klager wel een djellaba in het bezit mocht hebben, het dragen van een djellaba niet verboden is, belet niet dat de directie daarover een ander standpunt had en dat de pba overeenkomstig die opvatting de klager kon aanmanen de djellaba niet buiten de eigen cel te dragen. Ook al vond de aanmaning van de pba geen steun in de lezing waartoe de beroepscommissie beslist, dat maakte die aanmaning nog niet zodanig onrechtmatig dat de klager aan die aanmaning geen gehoor moest geven. De pba verbood de klager immers niet om de djellaba mee naar de gebedsruimte te nemen. De laatste aanmaning van de pba aan de klager was om desnoods de djellaba in zijn short te steken. Dit waren geen aanmaningen die de klager als flagrant onrechtmatig of ernstig nadelig terzijde mocht schuiven. De tuchtrechtelijke inbreuk “het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel” blijft bewezen.
4. Bij de beoordeling van de vraag of de feiten een tuchtrechtelijk gevolg vereisen, beschikt de directeur weliswaar over een ruime discretionaire bevoegdheid. Voor zover de beslissing van de directeur niet de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat, komt het de klachten- of beroepscommissie niet toe haar eigen beoordeling van de noodzaak van tuchtrechtelijke handhaving in de plaats te stellen van de beoordeling van de directeur, ook al zou de klachten- of beroepscommissie van oordeel zijn dat een andere wijze van conflictafhandeling meer opportuun was. In de gegeven omstandigheden was het opstarten van de tuchtrechtelijke vervolging voor het negeren van de aanmaning of het bevel van het personeel evenwel kennelijk onredelijk.
Het negeren van de aanmaning van de beambte vond plaats in een context waarin het voor de klager niet duidelijk was of zijn gedrag al dan niet met het huishoudelijk reglement in overeenstemming was en de directie nog niet de verduidelijking had gegeven die van haar werd verwacht en die zij ook had aangekondigd. Het negeren van het bevel van de pba had geen enkel gevolg voor de veiligheid in de gevangenis. Het verstoorde alleen de orde in de verhouding tussen de klager en de pba want bij het negeren van het bevel waren geen andere gedetineerden of personeelsleden betrokken. De verdere handhaving van de orde werd bewerkstelligd door de dienstnota die de directie enkele dagen na de tuchtbeslissing nam. De handhaving van de orde en de veiligheid van de inrichting rechtvaardigde derhalve manifest niet een tuchtvervolging, noch was de tuchtvervolging redelijkerwijze het enige middel om de orde in de inrichting te verzekeren. Op die gronden vernietigt de beroepscommissie de tuchtrechtelijke sanctie.
Er werd een klachtendossier met referentie KC16/24-0312 opgestart