Ga verder naar de inhoud

BC/24-0455

Fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Disciplinaire
TUCHT - BEWIJS

Overeenkomstig artikel 144, § 6, tweede lid van de Basiswet kan een gedetineerde alleen schuldig worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan, schuldig acht.

De basiswet stelt geen bijzonder bewijsstelsel in. De directeur kan het bewijs van het tuchtrechtelijk gesanctioneerd feit niet alleen laten steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op vermoedens. Bij gebrek aan een regeling van de bewijswaarde komt het de directie toe binnen de grenzen van de redelijkheid de bewijswaarde te beoordelen van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen.

Het rapport voor de directeur dat een penitentiair beambte opstelt wanneer hij een feit vaststelt waarvan hij vermoedt dat het een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakt, zoals artikel 144 van de basiswet voorschrijft, is een gegeven waarop de directie haar beoordeling van het bestaan en de ernst van de feiten kan steunen. Dit neemt niet weg dat wanneer de feiten worden betwist, het de directie toekomt rekening te houden met het verweer van de gedetineerde om de bewijswaarde van het rapport te beoordelen.
Voor de vaststelling van het gebruik en bijgevolg ook het bezit van drugs kan de directeur zich steunen op de waarnemingen van de penitentiair beambten. Ook zonder te beschikken over gegevens die het onweerlegbaar bewijs inhouden van het tuchtfeit, zoals een analyse van de aangetroffen substantie of een drugstest, kan de gevangenisdirecteur zich redelijkerwijze steunen op de vaststellingen van zijn beambten.
De vaststelling van de beambten dat er sprake was van een ‘enorme kruidige geur’ aan de cel waarin ook de klager verbleef, werd bevestigd door het aantreffen tijdens de celcontrole van ‘een brokje bruine substantie’. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting trok de klager niet in twijfel dat het wel degelijk om een ‘verdachte substantie’ ging. Hij ontkende alleen dat die substantie van hem was. Op de vraag van de directeur van wie de verboden substantie dan wel was, wou de klager niet antwoorden.
De beambten zagen de klager een verdachte beweging maken, meer bepaald het inslikken of het proberen inslikken van een voorwerp.
Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting ontkende de klager iets te hebben ingeslikt. Hij verklaarde dat hij gewoon de usb-stick die in de dvd-speler stak, eruit trok. Dit verweer dat elk inslikken of de poging daartoe ontkent, strookt niet met de vaststelling van de beambten. Dit verweer tast de geloofwaardigheid van de klager aan.
Het verweer van de klager, die ervoor koos zich niet door een advocaat te laten bijstaan, beperkte zich tot een loutere ontkenning van zijn schuld en van de vaststellingen van de beambten. Hij voerde geen enigszins pertinente betwisting of maakte geen enigszins geloofwaardige opmerking die de directie verder had moeten onderzoeken of beoordelen.
Op grond van de vaststellingen inzake de geur, de vondst van de verboden substantie en de verdachte beweging van de klager kon de directeur in deze omstandigheden redelijkerwijze besluiten tot de schuld van de klager, zonder verder onderzoek te moeten verrichten.