OVERPLAATSING - GEINTERNEERDE - BEVOEGDHEID - PREJUDICIËLE VRAAG
De beroepscommissie stelde vast dat de kamer tot bescherming van de maatschappij in zijn vonnis van 13 november 2023 heeft bepaald dat beroepsindiener onmiddellijk geplaatst dient te worden in de afdeling voor bescherming van de maatschappij van “Merksplas/Turnhout/Gent”.
Door de uiteindelijke keuze voor een welbepaalde ABM open te laten, leek er binnen de grenzen van de beslissing van de KBM discretionaire beslissingsruimte van de penitentiaire administratie.
Vervolgens stelde de beroepscommissie evenwel vast dat geïnterneerde personen, zoals beroepsindiener, ingevolge artikel 167 §2 van de basiswet worden uitgesloten van de mogelijkheid van bezwaar bij de directeur-generaal en van beroep bij de beroepscommissie op grond van de artikelen 18 en 163-166 van de basiswet.
Geïnterneerde personen beschikken overeenkomstig artikel 78 van de interneringswet evenmin over een rechtsmiddel tegen de plaatsingsbeslissing vervat in het vonnis van de KBM om de beslissing in welke gevangenis hij of zij wordt geplaatst te toetsen in het licht van de betrokken belangen.
Vooraleer te oordelen over de ontvankelijkheid van het beroep, vroeg de beroepscommmissie dan ook bij tussenbeslissing van 19 december 2024, aan het Grondwettelijk Hof of artikel 167, § 2, van de basiswet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.Het Grondwettelijk Hof beantwoordde deze vraag negatief bij arrest nr. 129/2025 van 25 september 2025 .
De eventuele ongrondwettigheid van het artikel 78 van de interneringswet kan niet leiden tot de bevoegdheid van de directeur-generaal (en nadien van de beroepscommissie), zodat de beroepscommissie het beroep thans ongegrond verklaart.
De directeur-generaal verklaarde het bezwaarschrift immers terecht onontvankelijk in het licht van het antwoord op de gestelde prejudiciële vraag.
De beroepscommissie stelde vast dat de kamer tot bescherming van de maatschappij in zijn vonnis van 13 november 2023 heeft bepaald dat beroepsindiener onmiddellijk geplaatst dient te worden in de afdeling voor bescherming van de maatschappij van “Merksplas/Turnhout/Gent”.
Door de uiteindelijke keuze voor een welbepaalde ABM open te laten, leek er binnen de grenzen van de beslissing van de KBM discretionaire beslissingsruimte van de penitentiaire administratie.
Vervolgens stelde de beroepscommissie evenwel vast dat geïnterneerde personen, zoals beroepsindiener, ingevolge artikel 167 §2 van de basiswet worden uitgesloten van de mogelijkheid van bezwaar bij de directeur-generaal en van beroep bij de beroepscommissie op grond van de artikelen 18 en 163-166 van de basiswet.
Geïnterneerde personen beschikken overeenkomstig artikel 78 van de interneringswet evenmin over een rechtsmiddel tegen de plaatsingsbeslissing vervat in het vonnis van de KBM om de beslissing in welke gevangenis hij of zij wordt geplaatst te toetsen in het licht van de betrokken belangen.
Vooraleer te oordelen over de ontvankelijkheid van het beroep, vroeg de beroepscommmissie dan ook bij tussenbeslissing van 19 december 2024, aan het Grondwettelijk Hof of artikel 167, § 2, van de basiswet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.Het Grondwettelijk Hof beantwoordde deze vraag negatief bij arrest nr. 129/2025 van 25 september 2025 .
De eventuele ongrondwettigheid van het artikel 78 van de interneringswet kan niet leiden tot de bevoegdheid van de directeur-generaal (en nadien van de beroepscommissie), zodat de beroepscommissie het beroep thans ongegrond verklaart.
De directeur-generaal verklaarde het bezwaarschrift immers terecht onontvankelijk in het licht van het antwoord op de gestelde prejudiciële vraag.