OVERPLAATSING - MOTIVERINGSPLICHT - RECHTSZEKERHEIDSBEGINSEL
Uit het verzoek tot overplaatsing blijkt dat de directie van Hoogstraten, ondanks het goede detentiegedrag, vreest voor vluchtgevaar nadat de PSD vernam dat beroepsindiener in mei 2024 werd veroordeeld tot een bijkomende gevangenisstraf van 6 jaar.
Beroepsindiener kan dienstig verwijzen naar het feit dat de veroordeling nog niet in kracht van gewijsde is, nu het niet wordt betwist dat hij een hoger beroep hangende heeft in het kader waarvan de vrijspraak zal worden gepleit volgens zijn raadsman.
Dat hij bij een mogelijke bevestiging in beroep hoogstwaarschijnlijk niet meer aan de tijdvoorwaarde zou voldoen voor een verblijf in Hoogstraten, is vooralsnog een geheel hypothetische motivering.
Bovendien nam de beroepscommissie in eerdere rechtspraak reeds kennis van de geuite beleidslijn van de penitentiaire administratie inzake toewijzing aan PSC Hoogstraten , waaruit volgt dat het niet uitgesloten is dat gedetineerden met een lang strafrestant in Hoogstraten worden toegelaten, voor zover er voldoende garanties zijn voor correct verblijf.
In casu wordt niet betwist dat er sprake is van correct verblijf, zodat zijn mogelijk langere strafrestant na een eventuele bevestiging door het Hof van Beroep nog niet per se zijn verblijf in PSC Hoogstraten in de weg staat.
De beroepscommissie wijst erop dat de directeur overigens in beginsel gehouden is haar eigen beleidsregel te volgen, in het licht van de rechtszekerheid in verband met een discretionaire bevoegdheid. Het gelijkheidsbeginsel houdt immers in dat de overheid niet willekeurig die beleidslijn nu eens wel en dan weer niet kan volgen.
De beroepscommissie besluit dat het onredelijk is dat de directeur-generaal het vermeende achterhouden van de recente- doch nog niet in kracht van gewijsde getreden- veroordeling in eerste aanleg en het daaruit volgende louter hypothetisch vluchtgevaar, in deze zaak zwaarder liet doorwegen dan zijn constructieve detentiegedrag, de lopende opleidingen en profiel van beroepsindiener.
Uit het verzoek tot overplaatsing blijkt dat de directie van Hoogstraten, ondanks het goede detentiegedrag, vreest voor vluchtgevaar nadat de PSD vernam dat beroepsindiener in mei 2024 werd veroordeeld tot een bijkomende gevangenisstraf van 6 jaar.
Beroepsindiener kan dienstig verwijzen naar het feit dat de veroordeling nog niet in kracht van gewijsde is, nu het niet wordt betwist dat hij een hoger beroep hangende heeft in het kader waarvan de vrijspraak zal worden gepleit volgens zijn raadsman.
Dat hij bij een mogelijke bevestiging in beroep hoogstwaarschijnlijk niet meer aan de tijdvoorwaarde zou voldoen voor een verblijf in Hoogstraten, is vooralsnog een geheel hypothetische motivering.
Bovendien nam de beroepscommissie in eerdere rechtspraak reeds kennis van de geuite beleidslijn van de penitentiaire administratie inzake toewijzing aan PSC Hoogstraten , waaruit volgt dat het niet uitgesloten is dat gedetineerden met een lang strafrestant in Hoogstraten worden toegelaten, voor zover er voldoende garanties zijn voor correct verblijf.
In casu wordt niet betwist dat er sprake is van correct verblijf, zodat zijn mogelijk langere strafrestant na een eventuele bevestiging door het Hof van Beroep nog niet per se zijn verblijf in PSC Hoogstraten in de weg staat.
De beroepscommissie wijst erop dat de directeur overigens in beginsel gehouden is haar eigen beleidsregel te volgen, in het licht van de rechtszekerheid in verband met een discretionaire bevoegdheid. Het gelijkheidsbeginsel houdt immers in dat de overheid niet willekeurig die beleidslijn nu eens wel en dan weer niet kan volgen.
De beroepscommissie besluit dat het onredelijk is dat de directeur-generaal het vermeende achterhouden van de recente- doch nog niet in kracht van gewijsde getreden- veroordeling in eerste aanleg en het daaruit volgende louter hypothetisch vluchtgevaar, in deze zaak zwaarder liet doorwegen dan zijn constructieve detentiegedrag, de lopende opleidingen en profiel van beroepsindiener.