BC/24-0221
Fondée
Beroepscommissie
Commission d'Appel
Mesure provisoire
Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - VERBODEN VOORWERPEN - HUISHOUDELIJK REGLEMENT - KWALIFICATIE INBREUK
De initiële klacht betrof:
- een voorlopige maatregel;
- een tuchtbeslissing.
De klacht met betrekking tot de voorlopige maatregel werd ongegrond bevonden en de klacht met betrekking tot de tuchtbeslissing gegrond in die zin dat de tuchtinbreuk geherkwalificeerd werd. Klager stelde beroep in tegen deze uitspraak.
1. De voorlopige maatregel
Ten aanzien van klager werd een voorlopige maatregel genomen tot een verplicht verblijf in de hem toegewezen verblijfsruimte. De klachtencommissie meent dat de directie op basis van de vondst van het voorwerp redelijkerwijze kon oordelen dat er een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid was. Zij kon dus een voorlopige maatregel opleggen. De beroepscommissie volgt deze redenering. Dit soort voorwerp kan gebruikt worden om geweld te plegen, wat de interne orde en de veiligheid van zowel de medewerkers als de gedetineerden ernstig in gevaar kan brengen.
Het beroep is ongegrond.
2. De tuchtbeslissing
Klager kreeg een tuchtsanctie van 21 dagen ATV voor het bezit van of de handel in, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (een inbreuk van de eerste categorie ).
Gelet op de vaststellingen uit de gedetailleerde rapporten, acht de klachtencommissie het redelijk dat de directeur de feiten bewezen achtte en ze aan klager toerekende.
De feiten werden door de klachtencommissie geherkwalificeerd naar ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’, een inbreuk van de tweede categorie.
De beroepscommissie bevestigt de beslissing van de klachtencommissie dat de directie op basis van de beschikbare informatie redelijkerwijs kon besluiten dat klager de hem ten laste gelegde feiten had gepleegd. De beroepscommissie stelt vast dat de camerabeelden in dit dossier werden bekeken door een penitentiair beambte, en een tweede keer op de voortzetting van de tuchtrechtelijke hoorzitting in het bijzijn van klager en diens raadsman. Er werd hier een zorgvuldig rapport van opgemaakt. De beroepscommissie meent dus dat er wel degelijk tot een zorgvuldige feitenvinding gekomen is.
Het beroep is ongegrond.
De initiële klacht betrof:
- een voorlopige maatregel;
- een tuchtbeslissing.
De klacht met betrekking tot de voorlopige maatregel werd ongegrond bevonden en de klacht met betrekking tot de tuchtbeslissing gegrond in die zin dat de tuchtinbreuk geherkwalificeerd werd. Klager stelde beroep in tegen deze uitspraak.
1. De voorlopige maatregel
Ten aanzien van klager werd een voorlopige maatregel genomen tot een verplicht verblijf in de hem toegewezen verblijfsruimte. De klachtencommissie meent dat de directie op basis van de vondst van het voorwerp redelijkerwijze kon oordelen dat er een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid was. Zij kon dus een voorlopige maatregel opleggen. De beroepscommissie volgt deze redenering. Dit soort voorwerp kan gebruikt worden om geweld te plegen, wat de interne orde en de veiligheid van zowel de medewerkers als de gedetineerden ernstig in gevaar kan brengen.
Het beroep is ongegrond.
2. De tuchtbeslissing
Klager kreeg een tuchtsanctie van 21 dagen ATV voor het bezit van of de handel in, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (een inbreuk van de eerste categorie ).
Gelet op de vaststellingen uit de gedetailleerde rapporten, acht de klachtencommissie het redelijk dat de directeur de feiten bewezen achtte en ze aan klager toerekende.
De feiten werden door de klachtencommissie geherkwalificeerd naar ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’, een inbreuk van de tweede categorie.
De beroepscommissie bevestigt de beslissing van de klachtencommissie dat de directie op basis van de beschikbare informatie redelijkerwijs kon besluiten dat klager de hem ten laste gelegde feiten had gepleegd. De beroepscommissie stelt vast dat de camerabeelden in dit dossier werden bekeken door een penitentiair beambte, en een tweede keer op de voortzetting van de tuchtrechtelijke hoorzitting in het bijzijn van klager en diens raadsman. Er werd hier een zorgvuldig rapport van opgemaakt. De beroepscommissie meent dus dat er wel degelijk tot een zorgvuldige feitenvinding gekomen is.
Het beroep is ongegrond.