OVERPLAATSING - REINTEGRATIE - TAAL
Op 5 maart 2024 diende de directie van de gevangenis van Leuven-Hulp een verzoek tot overplaatsing in naar een andere, bij voorkeur Franstalige, gevangenis.
De DDB nam op 5 juni 2024 de beslissing tot overplaatsing van beroepsindiener naar de gevangenis van Merksplas.
De vaststelling alleen van ‘administratieve problemen’ voor de penitentiaire administratie komen op zich niet als redelijk voor en kunnen op zichzelf geen deugdelijk motief uitmaken om de impliciete weigering van overplaatsing naar een Franstalige gevangenis te verantwoorden. Dit zou immers zijn re-integratie onredelijk moeilijk maken, terwijl er sprake is van een overwegend positief detentiegedrag.
De beroepscommissie stelt evenwel vast dat de DDB eerder in het bijzonder ook vaststelde dat beroepsindiener een aanvraag indiende tot het verkrijgen van een voorlopige invrijheidstelling met oog op verwijdering van het grondgebied, zodat beroepsindiener aldus niet van plan blijkt zich in te zetten op zijn re-integratie in Franstalig België.
Bovendien ging de penitentiaire administratie in op de door beroepsindiener zelf aangereikte alternatieve bestemming.
Thans in zijn beroepschrift ontkent beroepsindiener niet dat hij een dergelijke aanvraag bij de SURB hangende heeft.
Wel maakt hij nog gewag van problemen die hij te Merksplas zou hebben met andere gedetineerden. Deze stelling komt evenwel ongeloofwaardig voor, nu dit voor het eerst wordt opgeworpen in het beroepschrift en hier niets verder over uiteenzet.
De penitentiaire administratie is met de vereiste zorgvuldigheid tot de conclusie gekomen dat een plaatsing in een Franstalige gevangenis niet meer aangewezen was en kon binnen de grenzen van de redelijkheid besluiten tot de overplaatsing naar de gevangenis van Merksplas.
Op 5 maart 2024 diende de directie van de gevangenis van Leuven-Hulp een verzoek tot overplaatsing in naar een andere, bij voorkeur Franstalige, gevangenis.
De DDB nam op 5 juni 2024 de beslissing tot overplaatsing van beroepsindiener naar de gevangenis van Merksplas.
De vaststelling alleen van ‘administratieve problemen’ voor de penitentiaire administratie komen op zich niet als redelijk voor en kunnen op zichzelf geen deugdelijk motief uitmaken om de impliciete weigering van overplaatsing naar een Franstalige gevangenis te verantwoorden. Dit zou immers zijn re-integratie onredelijk moeilijk maken, terwijl er sprake is van een overwegend positief detentiegedrag.
De beroepscommissie stelt evenwel vast dat de DDB eerder in het bijzonder ook vaststelde dat beroepsindiener een aanvraag indiende tot het verkrijgen van een voorlopige invrijheidstelling met oog op verwijdering van het grondgebied, zodat beroepsindiener aldus niet van plan blijkt zich in te zetten op zijn re-integratie in Franstalig België.
Bovendien ging de penitentiaire administratie in op de door beroepsindiener zelf aangereikte alternatieve bestemming.
Thans in zijn beroepschrift ontkent beroepsindiener niet dat hij een dergelijke aanvraag bij de SURB hangende heeft.
Wel maakt hij nog gewag van problemen die hij te Merksplas zou hebben met andere gedetineerden. Deze stelling komt evenwel ongeloofwaardig voor, nu dit voor het eerst wordt opgeworpen in het beroepschrift en hier niets verder over uiteenzet.
De penitentiaire administratie is met de vereiste zorgvuldigheid tot de conclusie gekomen dat een plaatsing in een Franstalige gevangenis niet meer aangewezen was en kon binnen de grenzen van de redelijkheid besluiten tot de overplaatsing naar de gevangenis van Merksplas.