BC/24-0208
Non fondée
Beroepscommissie
Commission d'Appel
Autre décision directeur
VORMINGSACTIVITEITEN - ONDERWIJS - GEZAG VAN GEWIJSDE - SUBSTITUTIE
Het inrichtingshoofd is het in hoofdorde oneens met de bestreden uitspraak omdat haar geen ‘onbillijke of onredelijke houding’ kan worden verweten doordat zij het beperkte gezag van gewijsde van de vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg wenst te respecteren (artikel 23 van het gerechtelijk wetboek), terwijl de klachtencommissie bovendien uitspraak doet in weerwil van het bepaalde in artikel 6 van het gerechtelijk wetboek.
De beroepscommissie merkt evenwel op dat het gezag van het rechterlijk gewijsde er niet aan in de weg staat dat klager er dienstig naar kon verwijzen om zijn standpunt te onderbouwen en evenmin belet dat de klachtencommissie zich de redenering van de rechtbank van eerste aanleg vervolgens per analogie eigen maakt.
Evenmin kende de klachtencommissie de vonnissen zonder meer een draagwijdte erga omnes toe, doch paste de rechtspraak van de rechtbank van eerste aanleg in concreto toe op het voorliggende klachtendossier.
De exceptie inzake het (beperkte) gezag van gewijsde en de schending van artikel 6 van het gerechtelijk wetboek kan dan ook niet worden aangenomen.
(...)
Het inrichtingshoofd wijst er vervolgens op dat de klachtencommissie haar a fortiori niet kan verwijten een wettelijke bepaling te hebben geschonden, “nu er op vandaag geen wettelijke toegang tot internet (voor opleidingsonderdelen) voor gedetineerden wordt voorzien”.
Haar weigeringsbeslissing houdt volgens het inrichtingshoofd in het bijzonder geen miskenning in van het recht op onderwijs of het recht om zich te informeren, dat afdoende wordt gewaarborgd door de mogelijkheid zich in te schrijven voor de modules afstandsonderwijs en die via analoge weg te volgen.
Het inrichtingshoofd gaat daarmee echter voorbij aan het feit dat de recent gedigitaliseerde onderwijscontext in de buitenwereld sterk contrasteert met de beschikbaarheid en toegang tot digitale technologieën intra muros.
(....)
De klachtencommissie stelde zich vervolgens in de plaats van de directeur en “zegt dat haar uitspraak in de plaats treedt’ en beslist overeenkomstig hetgeen de rechtbank van eerste aanleg oplegde in de vonnissen van 2021 ten aanzien van zes andere gedetineerden.
Hoewel de concrete wijze waarop het recht om toegang te krijgen tot informatie en onderwijs voor een gedetineerde wordt georganiseerd tot de discretionaire bevoegdheid van het inrichtingshoofd behoort, maakte de klachtencommissie terecht gebruik van haar substitutiebevoegdheid, nu niet kan worden ingezien welke ander voorstel het inrichtingshoofd had kunnen doen.
Het gelijkheidsbeginsel dwingt haar immers om klager onder dezelfde modaliteiten toegang te verschaffen tot het digitale leerplatform, nu er thans nog steeds geen -voor beide partijen- meer ‘gebruiksvriendelijke” oplossing is uitgewerkt door de penitentiaire administratie
(....)
Tot slot komen deze modaliteiten alleszins nog steeds tegemoet aan de rechtmatige bekommernis om de openbare veiligheid te garanderen, waarbij de directie de ruimte wordt gelaten om zelf te bepalen hoe ze het toezicht organiseert, zodat de klachtencommissie genoegzaam gebruik maakte van haar substitutiebevoegdheid uit artikel 158 §3, 2° van de basiswet.
Het inrichtingshoofd is het in hoofdorde oneens met de bestreden uitspraak omdat haar geen ‘onbillijke of onredelijke houding’ kan worden verweten doordat zij het beperkte gezag van gewijsde van de vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg wenst te respecteren (artikel 23 van het gerechtelijk wetboek), terwijl de klachtencommissie bovendien uitspraak doet in weerwil van het bepaalde in artikel 6 van het gerechtelijk wetboek.
De beroepscommissie merkt evenwel op dat het gezag van het rechterlijk gewijsde er niet aan in de weg staat dat klager er dienstig naar kon verwijzen om zijn standpunt te onderbouwen en evenmin belet dat de klachtencommissie zich de redenering van de rechtbank van eerste aanleg vervolgens per analogie eigen maakt.
Evenmin kende de klachtencommissie de vonnissen zonder meer een draagwijdte erga omnes toe, doch paste de rechtspraak van de rechtbank van eerste aanleg in concreto toe op het voorliggende klachtendossier.
De exceptie inzake het (beperkte) gezag van gewijsde en de schending van artikel 6 van het gerechtelijk wetboek kan dan ook niet worden aangenomen.
(...)
Het inrichtingshoofd wijst er vervolgens op dat de klachtencommissie haar a fortiori niet kan verwijten een wettelijke bepaling te hebben geschonden, “nu er op vandaag geen wettelijke toegang tot internet (voor opleidingsonderdelen) voor gedetineerden wordt voorzien”.
Haar weigeringsbeslissing houdt volgens het inrichtingshoofd in het bijzonder geen miskenning in van het recht op onderwijs of het recht om zich te informeren, dat afdoende wordt gewaarborgd door de mogelijkheid zich in te schrijven voor de modules afstandsonderwijs en die via analoge weg te volgen.
Het inrichtingshoofd gaat daarmee echter voorbij aan het feit dat de recent gedigitaliseerde onderwijscontext in de buitenwereld sterk contrasteert met de beschikbaarheid en toegang tot digitale technologieën intra muros.
(....)
De klachtencommissie stelde zich vervolgens in de plaats van de directeur en “zegt dat haar uitspraak in de plaats treedt’ en beslist overeenkomstig hetgeen de rechtbank van eerste aanleg oplegde in de vonnissen van 2021 ten aanzien van zes andere gedetineerden.
Hoewel de concrete wijze waarop het recht om toegang te krijgen tot informatie en onderwijs voor een gedetineerde wordt georganiseerd tot de discretionaire bevoegdheid van het inrichtingshoofd behoort, maakte de klachtencommissie terecht gebruik van haar substitutiebevoegdheid, nu niet kan worden ingezien welke ander voorstel het inrichtingshoofd had kunnen doen.
Het gelijkheidsbeginsel dwingt haar immers om klager onder dezelfde modaliteiten toegang te verschaffen tot het digitale leerplatform, nu er thans nog steeds geen -voor beide partijen- meer ‘gebruiksvriendelijke” oplossing is uitgewerkt door de penitentiaire administratie
(....)
Tot slot komen deze modaliteiten alleszins nog steeds tegemoet aan de rechtmatige bekommernis om de openbare veiligheid te garanderen, waarbij de directie de ruimte wordt gelaten om zelf te bepalen hoe ze het toezicht organiseert, zodat de klachtencommissie genoegzaam gebruik maakte van haar substitutiebevoegdheid uit artikel 158 §3, 2° van de basiswet.