Ga verder naar de inhoud

BC/24-0106

Fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Mesure provisoire Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGEL - ERNSTIGE EN OPZETTELIJKE AANTASTING VAN DE INTERNE VEILIGHEID - TUCHTBESLISSING - OPZETTELIJKE AANTASTING VAN DE ORDE

Het verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte kan alleen als voorlopige maatregel worden opgelegd (1) in geval van ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid of (2) indien door het aanzetten of voeren van collectieve acties de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar wordt gebracht (artikel 145, § 1, eerste lid, basiswet). De interne veiligheid is “een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding” (artikel 2, 9°, basiswet). Een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid vereist dan ook dat de gedetineerde wetens en willens handelingen stelt die leiden tot een toestand waarin de fysieke integriteit van personen of de integriteit van goederen niet langer gevrijwaard is. Een verstoring van de orde, hoe ernstig ook, die niet doet vrezen voor een aantasting van de fysieke integriteit van personen of de integriteit van goederen, houdt dan ook geen ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid in.
Feiten maken een “opzettelijke aantasting van de orde” uit als de gedetineerde de wil heeft handelingen te stellen die een aantasting van de orde inhouden. Daartoe volstaat het dat de gedetineerde wetens en willens handelt: de gedetineerde weet dat zijn handelingen de orde zullen aantasten en wil deze handelingen stellen. Dit algemeen opzet volstaat. Een bijkomend, bijzonder opzet is niet vereist om een “opzettelijke aantasting van de orde” te kunnen vaststellen. Het is niet vereist dat de wil van de gedetineerde specifiek op de aantasting van de orde gericht is, met andere woorden dat de gedetineerden handelde met het doel om de orde aan te tasten.
De klachtencommissie oordeelde dat de opgelegde tuchtsanctie van 9 dagen afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte, waarvan 7 dagen voorwaardelijk, wettelijk en redelijk was. Deze tuchtsanctie impliceert dat de klager in elk geval twee dagen effectief in zijn cel werd geïsoleerd, dit is gedurende de twee dagen dat de klager de voorlopige maatregel onderging. De uitvoering van de later vernietigde voorlopige maatregel heeft bijgevolg aan de klager geen nadeel berokkend dat hij zonder voorlopige maatregel niet zou hebben ondergaan. In die omstandigheden is er geen reden om een tegemoetkoming toe te kennen.