BC/24-0049
Non fondée
Beroepscommissie
Commission d'Appel
Disciplinaire
Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM - UITVOERING - TUCHT - BEWIJS
De intitiële klacht was tweevoudig en betrof:
- de uitvoering van een naaktfouille;
- een tuchtbeslissing.
De klachtencommissie verklaarde de klacht met betrekking tot de uitvoering van de naakfouille gegrond en de klacht met betrekking tot de tuchtbeslissing ongegrond.
Het inrichtingshoofd diende beroep in tegen de beslissing van de klachtencommissie met betrekking tot de naaktfouille en klager tegen de beslissing van de klachtencommissie met betrekking tot de tuchtbeslissing.
Wat betreft de naaktfouille
Klager beklaagt zich over de manier waarop de fouille uitgevoerd werd, meer bepaald over het feit dat hij geen handdoek heeft gekregen toen hij de naaktfouille onderging.
De klachtencommissie was bevoegd om kennis te nemen van deze klacht aangezien de uitvoering van de naaktfouille tot stand kwam via een beslissing van de directeur.
De beroepscommissie leest nergens in het klachtendossier dat de directie de beweringen van klager ontkent. Dat de directie slechts voor het eerst in de beroepsprocedure stelt dat de penitentiair beambten de richtlijnen kennen en ze toepassen, acht de beroepscommissie te laat. De beroepscommissie meent dat deze verklaring eerder in de procedure naar voren had moeten komen, zodat dit aspect zorgvuldig kon worden meegewogen in de beoordeling van de klacht. Het beroep is ongegrond.
Wat betreft de tuchtbeslissing
Het RAD is zeer duidelijk over de vaststelling dat er een geur van cannabis merkbaar was uit de cel van klager. De beroepscommissie meent dat geurwaarneming een vaststelling is die op gelijke hoogte staat met andere zintuigelijke vaststellingen, zoals bijvoorbeeld vaststellingen gebaseerd op het uitzicht van de substantie. Deze vaststellingen kunnen evengoed een doorslaggevend element vormen als basis voor een tuchtbeslissing, zolang ze op zorgvuldige wijze gedaan werd. In casu werd de geurwaarneming door een ander personeelslid bevestigd.
De intitiële klacht was tweevoudig en betrof:
- de uitvoering van een naaktfouille;
- een tuchtbeslissing.
De klachtencommissie verklaarde de klacht met betrekking tot de uitvoering van de naakfouille gegrond en de klacht met betrekking tot de tuchtbeslissing ongegrond.
Het inrichtingshoofd diende beroep in tegen de beslissing van de klachtencommissie met betrekking tot de naaktfouille en klager tegen de beslissing van de klachtencommissie met betrekking tot de tuchtbeslissing.
Wat betreft de naaktfouille
Klager beklaagt zich over de manier waarop de fouille uitgevoerd werd, meer bepaald over het feit dat hij geen handdoek heeft gekregen toen hij de naaktfouille onderging.
De klachtencommissie was bevoegd om kennis te nemen van deze klacht aangezien de uitvoering van de naaktfouille tot stand kwam via een beslissing van de directeur.
De beroepscommissie leest nergens in het klachtendossier dat de directie de beweringen van klager ontkent. Dat de directie slechts voor het eerst in de beroepsprocedure stelt dat de penitentiair beambten de richtlijnen kennen en ze toepassen, acht de beroepscommissie te laat. De beroepscommissie meent dat deze verklaring eerder in de procedure naar voren had moeten komen, zodat dit aspect zorgvuldig kon worden meegewogen in de beoordeling van de klacht. Het beroep is ongegrond.
Wat betreft de tuchtbeslissing
Het RAD is zeer duidelijk over de vaststelling dat er een geur van cannabis merkbaar was uit de cel van klager. De beroepscommissie meent dat geurwaarneming een vaststelling is die op gelijke hoogte staat met andere zintuigelijke vaststellingen, zoals bijvoorbeeld vaststellingen gebaseerd op het uitzicht van de substantie. Deze vaststellingen kunnen evengoed een doorslaggevend element vormen als basis voor een tuchtbeslissing, zolang ze op zorgvuldige wijze gedaan werd. In casu werd de geurwaarneming door een ander personeelslid bevestigd.