Ga verder naar de inhoud

BC/23-0277

Fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Disciplinaire
FOUILLE OP HET LICHAAM - TUCHT

Het beroep werd ingesteld door het inrichtingshoofd tegen de beslissing van de klachtencommissie in zoverre deze betrekking heeft op de tuchtbeslissing.

Hoewel in de bestreden tuchtbeslissing niet wordt verwezen naar artikel 131 van de Basiswet, wordt klager blijkens het standpunt van het inrichtingshoofd in feite gesanctioneerd voor deelneming aan meerdere tuchtinbreuken, aangezien alle celgenoten hun betrokkenheid in de verboden voorwerpen/substanties zonder meer ontkennen. Het inrichtingshoofd acht het onwaarschijnlijk dat klager niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de verboden substantie en verboden
voorwerpen. Vervolgens rekent hij klager de inbreuk vervolgens in essentie (mede) toe, omdat er hoge signaalwaarden werden waargenomen op een moment dat iedereen op cel was en de gevonden spullen niet verstopt waren.

De klachtencommissie stelde dat de directie het verbod op collectieve straffen heeft geschonden en bij gebrek aan concrete toerekening verschillende gedetineerden gezamenlijk heeft gestraft.

De beroepscommissie meent, in tegenstelling tot de klachtencommissie, dat de individuele verantwoordelijkheid van klager vaststaat op grond van de plaats waar en de hoeveelheid aan verboden voorwerpen en substanties die blijkens het RAD werden aangetroffen. In die zin oordeelde de beroepscommissie in het verleden reeds meermaals dat een gedetineerde inderdaad medeverantwoordelijk kan worden geacht wanneer de verboden substanties of voorwerpen worden aangetroffen op een voor de hand liggende plaats in de cel (d.i. ‘niet echt verstopt’).

De beroepscommissie is dan ook van oordeel dat de klachtencommissie de klacht onterecht gegrond heeft verklaard. Voor zover de klachtencommissie van oordeel is dat er sprake is van collectieve straffen, stelt de beroepscommissie dat de motiveringen van de tuchtbeslissingen niet identiek zijn. Het is niet omdat dezelfde tuchtinbreuken aan alle celgenoten worden toegerekend dat er sprake is van collectieve straffen, daar ze telkens individueel gemotiveerd zijn.

Het beroep is zodus ontvankelijk en gegrond. De beroepscommissie vernietigt de beslissing van de klachtencommissie.