BC/23-0215
Non fondée
Beroepscommissie
Commission d'Appel
Autre décision directeur
GRONDSLAPEN - OVERBEVOLKING - MEERPERSOONSCEL
In dit dossier bevestigt de beroepscommissie de eerdere beslissing van de klachtencommissie. Die laatste had de initiële klacht gegrond verklaard. Het beroep, ingesteld door het inrichtingshoofd, werd dus ongegrond verklaard.
De beroepscommissie dient de situatie van klager in het licht van artikel 3 EVRM te onderzoeken. Klager verbleef als derde persoon in een duocel met een totale oppervlakte van minder dan 9 m² en moest op de grond slapen. De beroepscommissie stelt vast dat er in ieder geval sprake is van een beperkte persoonlijke ruimte van minder van 3m2 per persoon (exclusief sanitair gedeelte), zodat het ernstig vermoeden van schending van artikel 3 EVRM geldt. Het vermoeden kan niet weerlegd worden omwille van het feit dat er geen sprake was van een incidentele en korte beperking: de situatie heeft minstens één week aangehouden. Daarnaast is er ook sprake van enkele verzwarende omstandigheden het gebrek aan privacy bij het gebruik van de sanitaire voorzieningen, de geur die in de cel hing en tot slot uiteraard het feit dat klager zelfs op de grond moest slapen. De beroepscommissie bevestigt dan ook het besluit van de klachtencommissie dat er voor de tijd van het verblijf van klager in de gemeenschappelijke cel sprake was van een schending van artikel 3 EVRM.
Het inrichtingshoofd beroept zich op overmacht. De feitelijke onmogelijkheid van de individuele directeur om tegelijkertijd aan alle gedetineerden in haar gevangenis een cel toe te wijzen die menswaardige detentieomstandigheden garandeert, levert een probleem van tenuitvoerlegging van de beslissing van de klachtencommissie op. De vaststelling dat de tenuitvoerlegging van een beslissing die de strijdigheid van een beslissing door of namens de directie met art. 3 EVRM vaststelt, problemen oplevert, kan uiteraard evenmin een beletsel inhouden om die strijdigheid met artikel 3 EVRM vast te stellen.
Het beroep van het inrichtingshoofd is ongegrond.
In dit dossier bevestigt de beroepscommissie de eerdere beslissing van de klachtencommissie. Die laatste had de initiële klacht gegrond verklaard. Het beroep, ingesteld door het inrichtingshoofd, werd dus ongegrond verklaard.
De beroepscommissie dient de situatie van klager in het licht van artikel 3 EVRM te onderzoeken. Klager verbleef als derde persoon in een duocel met een totale oppervlakte van minder dan 9 m² en moest op de grond slapen. De beroepscommissie stelt vast dat er in ieder geval sprake is van een beperkte persoonlijke ruimte van minder van 3m2 per persoon (exclusief sanitair gedeelte), zodat het ernstig vermoeden van schending van artikel 3 EVRM geldt. Het vermoeden kan niet weerlegd worden omwille van het feit dat er geen sprake was van een incidentele en korte beperking: de situatie heeft minstens één week aangehouden. Daarnaast is er ook sprake van enkele verzwarende omstandigheden het gebrek aan privacy bij het gebruik van de sanitaire voorzieningen, de geur die in de cel hing en tot slot uiteraard het feit dat klager zelfs op de grond moest slapen. De beroepscommissie bevestigt dan ook het besluit van de klachtencommissie dat er voor de tijd van het verblijf van klager in de gemeenschappelijke cel sprake was van een schending van artikel 3 EVRM.
Het inrichtingshoofd beroept zich op overmacht. De feitelijke onmogelijkheid van de individuele directeur om tegelijkertijd aan alle gedetineerden in haar gevangenis een cel toe te wijzen die menswaardige detentieomstandigheden garandeert, levert een probleem van tenuitvoerlegging van de beslissing van de klachtencommissie op. De vaststelling dat de tenuitvoerlegging van een beslissing die de strijdigheid van een beslissing door of namens de directie met art. 3 EVRM vaststelt, problemen oplevert, kan uiteraard evenmin een beletsel inhouden om die strijdigheid met artikel 3 EVRM vast te stellen.
Het beroep van het inrichtingshoofd is ongegrond.