BC/23-0140
Non fondée
Beroepscommissie
Commission d'Appel
Autre décision directeur
GRONDSLAPEN - OVERBEVOLKING - MEERPERSOONSCEL
In dit dossier bevestigt de beroepscommissie de eerdere beslissing van de klachtencommissie. Die laatste had de initiële klacht gegrond verklaard. Het beroep, ingesteld door het inrichtingshoofd, werd dus ongegrond verklaard.
Het ging om het feit dat de klager samen met twee anderen een duocel moest delen, waarbij klager op de grond moest slapen en er zeer weinig plaats was. Het inrichtingshoofd verweerde zich door te stellen dat het hier geen individuele beslissing namens de directie betreft, en dat de klacht dus bijgevolg onontvankelijk is. De directie zou immers niet tussenkomen in de procedure van de celtoewijzing. Daarnaast kan het volgens de directie ook geen individuele beslissing betreffen gezien de inrichting door de overbevolking genoodzaakt is tot de huidige celtoewijzing. Er zou voor de directie geen manoeuvreerruimte bestaan.
Zowel de klachtencommissie als de beroepscommissie oordelen dat de vermeende situatie van overmacht niets afdoet aan de schending van het objectieve recht, namelijk artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dit artikel verbiedt mensonterende omstandigheden en wordt verder ingevuld door de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Volgens die rechtspraak is er een ernstig vermoeden van mensonterende omstandigheden vanaf dat gedetineerden slechts beschikken over drie vierkante meter persoonlijke ruimte, wat in casu het geval was. Dat vermoeden kan weerlegd worden indien er aan drie voorwaarden voldaan is. Zo moet die situatie een korte periode betreffen, moet de gedetineerde voldoende tijd buiten de cel kunnen spenderen en mogen er geen andere elementen aanwezig zijn die wijzen op slechte detentieomstandigheden.
De beroepscommissie ziet geen aanwijzingen dat de uitzonderingsvoorwaarden vervuld zijn en verklaart om die reden het beroep ongegrond. De beslissing van de klachtencommissie wordt daarmee bevestigd.
In dit dossier bevestigt de beroepscommissie de eerdere beslissing van de klachtencommissie. Die laatste had de initiële klacht gegrond verklaard. Het beroep, ingesteld door het inrichtingshoofd, werd dus ongegrond verklaard.
Het ging om het feit dat de klager samen met twee anderen een duocel moest delen, waarbij klager op de grond moest slapen en er zeer weinig plaats was. Het inrichtingshoofd verweerde zich door te stellen dat het hier geen individuele beslissing namens de directie betreft, en dat de klacht dus bijgevolg onontvankelijk is. De directie zou immers niet tussenkomen in de procedure van de celtoewijzing. Daarnaast kan het volgens de directie ook geen individuele beslissing betreffen gezien de inrichting door de overbevolking genoodzaakt is tot de huidige celtoewijzing. Er zou voor de directie geen manoeuvreerruimte bestaan.
Zowel de klachtencommissie als de beroepscommissie oordelen dat de vermeende situatie van overmacht niets afdoet aan de schending van het objectieve recht, namelijk artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dit artikel verbiedt mensonterende omstandigheden en wordt verder ingevuld door de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Volgens die rechtspraak is er een ernstig vermoeden van mensonterende omstandigheden vanaf dat gedetineerden slechts beschikken over drie vierkante meter persoonlijke ruimte, wat in casu het geval was. Dat vermoeden kan weerlegd worden indien er aan drie voorwaarden voldaan is. Zo moet die situatie een korte periode betreffen, moet de gedetineerde voldoende tijd buiten de cel kunnen spenderen en mogen er geen andere elementen aanwezig zijn die wijzen op slechte detentieomstandigheden.
De beroepscommissie ziet geen aanwijzingen dat de uitzonderingsvoorwaarden vervuld zijn en verklaart om die reden het beroep ongegrond. De beslissing van de klachtencommissie wordt daarmee bevestigd.