Ga verder naar de inhoud

BC/23-0015

Non fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Mesure d'ordre
ORDEMAATREGEL - ONTSLAG - VERTROUWENSFUNCTIE - MOTIVERING

De directeur beschikt over een discretionaire bevoegdheid bij het toewijzen van arbeid aan een bepaalde gedetineerde. Hij oordeelt dus vrij over de geschiktheid van de betrokken gedetineerde voor diens tewerkstelling op een bepaalde werkplaats of in een bepaalde (vertrouwens)functie.

Iedere geïndividualiseerde beslissing moet natuurlijk ook gemotiveerd zijn in de zin van art. 8 van de basiswet. De gedetineerde moet aan de hand van de motivering kunnen afleiden waarom de beslissing juist genomen werd.

Ten aanzien van de gedetineerde die een vertrouwensfunctie uitoefent, kan de houding van de gedetineerde een zeker belang hebben. Het uitoefenen van een vertrouwensfunctie impliceert immers een bepaalde loyauteit naar de directie en het bestaan van een wederzijds vertrouwen en respect tussen directie en personeel enerzijds en de gedetineerde anderzijds. Het is dan ook belangrijk dat de betrokken gedetineerde kan samenwerken met de andere gedetineerden, zeker bij een vertrouwensfunctie in de keuken. Wanneer men dan andere gedetineerden bedreigt, in die mate dat zij zelf hun ontslag zouden willen indienen, kan dat die vertrouwensrelatie op de helling zetten, waardoor het aanblijven in de vertrouwensfunctie onmogelijk wordt. In dat geval kan de directie beslissen dat iemand niet meer geschikt is om deze functie in te vullen. De directie is namelijk verantwoordelijk voor de veiligheid in de gevangenis en voor de veiligheid van de gedetineerden. De beroepscommissie is van oordeel dat er om die reden voldoende elementen waren om een ontslagbeslissing te rechtvaardigen.

Het beroep ingediend door de gedetineerde is ontvankelijk, maar ongegrond.