Ga verder naar de inhoud

BC/22-0066

Non fondée Beroepscommissie Commission d'Appel
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - GEINTERNEERDE - BIJSTAND ADVOCAAT

Wat betreft de stelling dat verplichte bijstand door een raadsman voor een geïnterneerde ook moeten worden doorgetrokken naar alle andere ordemaatregelen, wijst de Beroepscommissie er op dat de verplichte bijstand enkel die ordemaatregelen betreft in het kader waarvan de hoorplicht wettelijk is verankerd, zoals bij de BVM procedure. De Beroepscommissie stelt vast dat er geen behoorlijke oproeping gebeurde, de voorgaande VM en eerste BVM werden niet toegevoegd aan het administratief dossier, zodat de Beroepscommissie niet kan nagaan of deze effectief werden betekend aan geïntimeerde, en dat de gedetineerde geen tijd kreeg om een raadsman te consulteren en er alleszins geen tijd werd genomen om een raadsman aan te stellen. In die zin kan de Klachtencommissie dan ook gevolgd worden waar zij stelt dat dat eenieder het recht heeft om te worden bijgestaan door een advocaat wanneer hij wordt gehoord. Ook volgens de Beroepscommissie was het de bedoeling van de wetgever om de bijstand van een advocaat voor een geïnterneerde verplicht te maken in elke stand van de rechtspleging inzake de interne rechtspositie en niet enkel voor tuchtprocedures en de procedures van de Klachten- en Beroepscommissie. Alleszins wordt dergelijke bijstand nergens uitdrukkelijk uitgesloten en kan de wetgever niet voor ogen hebben gehad om geïnterneerden uit te sluiten van het recht op bijstand van een raadsman in het kader van deze procedures.Ten overvloede merkt de Beroepscommissie nog op dat het belang van de hoorplicht van een geïnterneerde in het bijzijn van een raadsman, des te meer blijkt uit het feit dat een BVM zich kan voordoen als een verdoken tuchtsanctie.
Het beroep is ongegrond.