Ga verder naar de inhoud

BC/22-0053

Non fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Autre décision directeur
OVERBEVOLKING

De beroepscommissie beoordeelt het beroep ontvankelijk, maar ongegrond. Ze stelt dat de beslissing tot toewijzen van de verblijfsruimte behoort tot de bevoegdheid van de directie. De basiswet voorziet geen recht op monocel. Het is daarentegen wel belangrijk dat de verblijfsruimte van de gedetineerde, of het nu gaat om een monocel of om een meerpersonencel, voldoet aan de nationale en internationale standaarden.

In de rechtspraak heeft het Europees Hof voor de rechten van de mens bepaald dat wanneer iemand moet verblijven in een cel met minder dan 3m2 persoonlijke ruimte het gebrek aan ruimte alleen al geldt als een ernstig vermoeden van schending van artikel 3 van het EVRM. Dat dat buiten de wil is van de administratie, betekent niet noodzakelijk dat er geen schending kan zijn van dat artikel. De administratie kan dat vermoeden weerleggen indien het gaat om een korte periode tijdens dewelke men voldoende tijd buiten de cel kan doorbrengen en als er geen andere elementen zijn die wijzen op slechte detentieomstandigheden. Andere verzwarende omstandigheden in de beoordeling van een eventuele schending van artikel 3 van het EVRM zijn een blootstelling aan passief roken, geen degelijke verluchting of geen natuurlijke verlichting, verwarming, de mogelijkheid om het sanitair privé te gebruiken en het al dan niet voldoen aan voorwaarden over hygiëne en sanitair.
Voor het berekenen van de persoonlijke ruimte mag de ruimte die de sanitaire voorzieningen innemen niet meetellen voor de totale oppervlakte.

De beroepscommissie moet vervolgens beoordelen of de situatie van klager een schending uitmaakt in de zin van art. 3 van het EVRM.

Uit het verweer van de directie blijkt echter dat er op het moment van de klacht of het beroep nooit een tweede persoon werd geplaatst in zijn cel. Bovendien heeft hij al verschillende kansen gekregen om naar een ander regime te gaan, waar er geen extra bed is bijgeplaatst op de cel.

In die zin was de klacht voorbarig en was er op het moment van de klacht alleszins nog geen sprake van een schending door een tweede gedetineerde bij hem te plaatsen op de cel. De beslissing van celtoewijzing van de directie was in het geval van klager dus wel wettig en geen schending van art. 3 van het EVRM.