Ga verder naar de inhoud

BC/22-0049

Fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Disciplinaire
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES

In verband met de verboden substanties heeft de klachtencommissie geoordeeld dat er voldoende elementen waren op basis waarvan de directie de feiten als bewezen kon verklaren. Wanneer er geen tegenaanwijzingen zijn, kan de directeur zich in principe baseren op rapporten van penitentiair beambten om een tuchtfeit en de ernst van het tuchtfeit te beoordelen. In principe moet de directeur in dat geval ook niet ingaan op verzoeken om bepaald onderzoek te doen zoals het horen van getuigen of het bekijken van camerabeelden . De beroepscommissie is evenwel van oordeel dat in dit geval, gelet op het bijzonder onduidelijke rapport over de wandeling en de tegenargumenten van appellant, de directie had moeten overgaan tot het bekijken van de camerabeelden van de wandeling. Daarnaast is het de beroepscommissie voor wat betreft het RAD van 's avonds niet duidelijk waarom de beambten op het moment van de vaststelling niet alleen de celdeur, maar zelfs niet het winket hebben geopend om onmiddellijk te kunnen verifiëren of appellant iets aan het roken was of om appellant te confronteren met de vaststelling van de verdachte geur, dan wel een celcontrole uit te voeren. Zulk nazicht had de vaststelling van de verdachte geur verder kunnen objectiveren. De beroepscommissie is dan ook van mening dat de vaststellingen in het voorliggende dossier onvoldoende zorgvuldig zijn gebeurd en bijgevolg niet voldoende geobjectiveerd zijn. De directeur heeft zich niet alle nuttige informatie laten bezorgen voor de beoordeling van de zaak. Deze tuchtinbreuk kan niet weerhouden worden.

De beroepscommissie spreekt zich daarnaast ook uit over de tweede tuchtinbreuk, het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen. Uit het administratief dossier blijkt niet welke door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepaling de directie geschonden acht. De directie moet voldoen aan de formele motiveringsplicht bij het nemen van een beslissing met een individuele neerslag: ze moet voldoende juridische en feitelijke overwegingen vermelden. Bovendien moet de motivering afdoende zijn. Er is voor deze tuchtinbreuk niet voldaan aan de motiveringsplicht.

Het beroep is gegrond.

De beroepscommissie is in het licht van artikel 158 §4 lid 2 van de Basiswet van oordeel dat de vernietiging van de bestreden tuchtbeslissing op zichzelf een voldoende tegemoetkoming uitmaakt.