BC/22-0022
Non fondée
Irrecevable
Beroepscommissie
Commission d'Appel
Autre décision directeur
Appel partiel sur une décision de Commission des plaintes
TERMIJN- RECHTEN VAN VERDEDIGING
Het beroep is onontvankelijk voor zover het gericht is tegen de beslissing van de klachtencommissie met referentie KC32/21-0100 aangezien het beroep ruim buiten de door de wet voorziene termijn is ingesteld.
Appellant beklaagt er zich ook over dat hi niet gehoord werd door de klachtencommissie en het dossier behandeld werd door de alleenzetelend klachtenrechter en niet door de voltallige klachtencommissie. De beroepscommissie stelt vast dat de alleenzetelend klachtenrechter haar beslissing integraal kon baseren op het voorliggende administratief dossier, dat voldoende elementen bevatte om tot een gedragen oordeel te komen. De klachtencommissie kon om diezelfde redenen de klacht afdoen als alleenzetelend klachtenrechter. Gelet op het feit dat er geen nader onderzoek nodig was, kon ook het verweer van de directeur tezamen met de eindbeslissing aan appellant overgemaakt worden. Het artikel 152 §2 Basiswet waarnaar appellant verwijst, dient namelijk samen gelezen te worden met het voorgaande artikel 151 §2 en navolgende artikel 154 §1 van de Basiswet over de rechtsmacht van de klachtencommissie. Het verweer van de directie met de eindbeslissing kan worden overgemaakt, wanneer de alleenzetelend klachtenrechter -zoals in deze zaak- van oordeel is dat de klacht (en het verweer) geen nader onderzoek vereist en tot een kennelijk oordeel komt in haar uitspraak als alleenzetelend klachtenrechter. Het beroep tegen dit aspect is ongegrond.
Ten slotte stelt de beroepscommissie vast dat appellant geen overtuigende argumenten aanhaalt die de motivering van de uitspraak kunnen weerleggen of ontkrachten. De bestreden beslissing van de klachtencommissie steunt op artikel 148 lid 2 juncto 150 §5 van de Basiswet en de Wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. De beroepscommissie stelt immers vast dat de klacht dateert van slechts zes respectievelijk vier dagen na de aanvragen van klager. De klachtencommissie oordeelde aldus terecht dat op het moment van de klacht geen sprake was van “het verzuim of de weigering een beslissing te nemen binnen een wettelijke termijn” in de zin van artikel 148, tweede lid van de Basiswet. Het beroep tegen dit aspect is ongegrond.
Het beroep is onontvankelijk voor zover het gericht is tegen de beslissing van de klachtencommissie met referentie KC32/21-0100 aangezien het beroep ruim buiten de door de wet voorziene termijn is ingesteld.
Appellant beklaagt er zich ook over dat hi niet gehoord werd door de klachtencommissie en het dossier behandeld werd door de alleenzetelend klachtenrechter en niet door de voltallige klachtencommissie. De beroepscommissie stelt vast dat de alleenzetelend klachtenrechter haar beslissing integraal kon baseren op het voorliggende administratief dossier, dat voldoende elementen bevatte om tot een gedragen oordeel te komen. De klachtencommissie kon om diezelfde redenen de klacht afdoen als alleenzetelend klachtenrechter. Gelet op het feit dat er geen nader onderzoek nodig was, kon ook het verweer van de directeur tezamen met de eindbeslissing aan appellant overgemaakt worden. Het artikel 152 §2 Basiswet waarnaar appellant verwijst, dient namelijk samen gelezen te worden met het voorgaande artikel 151 §2 en navolgende artikel 154 §1 van de Basiswet over de rechtsmacht van de klachtencommissie. Het verweer van de directie met de eindbeslissing kan worden overgemaakt, wanneer de alleenzetelend klachtenrechter -zoals in deze zaak- van oordeel is dat de klacht (en het verweer) geen nader onderzoek vereist en tot een kennelijk oordeel komt in haar uitspraak als alleenzetelend klachtenrechter. Het beroep tegen dit aspect is ongegrond.
Ten slotte stelt de beroepscommissie vast dat appellant geen overtuigende argumenten aanhaalt die de motivering van de uitspraak kunnen weerleggen of ontkrachten. De bestreden beslissing van de klachtencommissie steunt op artikel 148 lid 2 juncto 150 §5 van de Basiswet en de Wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. De beroepscommissie stelt immers vast dat de klacht dateert van slechts zes respectievelijk vier dagen na de aanvragen van klager. De klachtencommissie oordeelde aldus terecht dat op het moment van de klacht geen sprake was van “het verzuim of de weigering een beslissing te nemen binnen een wettelijke termijn” in de zin van artikel 148, tweede lid van de Basiswet. Het beroep tegen dit aspect is ongegrond.