Ga verder naar de inhoud

BC/22-0007

Non fondée Beroepscommissie Commission d'Appel
TUCHT - MOTIVERING - TOEREKENBAARHEID - GEINTERNEERDE

De specifieke bepalingen in de basiswet benadrukken het belang van de individuele toerekenbaarheid aan de gedetineerde, in die zin dat men eerst moet nagaan of een gedetineerde wel verantwoordelijk geacht kan worden voor bepaalde feiten en of hij/zij op het moment van het plegen van de tuchtinbreuk wel helder en bewust was. Met andere woorden moet worden nagegaan of de gedetineerde over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte op het moment van de feiten en of hij/zij er bewust voor gekozen heeft om de feiten te stellen. Deze voorafgaande beoordeling is in het bijzonder van belang in het geval van geïnterneerden. De aangehaalde bepalingen uit de Basiswet zijn ook van toepassing voor geïnterneerden, bij gebreke van specifieke regelgeving van hun interne rechtspositie.
De Beroepscommissie stelt vast dat de huidige instructies van DG EPI niet meer geheel conform de constante rechtspraak van de Raad van State blijken, door niet langer een voorafgaand psychiatrisch advies te vereisen. De instructies van DG EPI benadrukken wel nog steeds terecht het belang van de motiveringsplicht die hoe dan ook rust op de directie als steller van de akte. Immers ook wanneer er wel een voorafgaand psychiatrisch advies voorligt, ontslaat dit de directeur
volgens de Beroepscommissie niet van de op haar rustende motiveringsplicht omtrent de overige elementen in het administratief dossier waaruit blijkt dat de gepleegde feiten aan de betrokken geïnterneerde kunnen worden toegerekend.

De Beroepscommissie is van oordeel dat een voorafgaande beoordeling door een arts-psychiater omtrent de toestand van de geïnterneerde op het moment van het plegen van de tuchtinbreuk in casu noodzakelijk was, opdat de directeur op grond van het voorliggende administratief dossier de toerekenbaarheid in hoofde
van geïntimeerde had kunnen toetsen. Pas wanneer zulk psychiatrisch verslag bevestigt dat de geïnterneerde op het moment van de feiten helder en bewust was, kon de directie onderzoeken (en motiveren) of de tuchtrechtelijke inbreuk hem effectief kan worden toegerekend in het licht van de overige elementen in het dossier die voorhanden zijn. De Beroepscommissie verwijst tevens naar haar voorgaande uitspraak en het advies van de Nationale van de Orde der Artsen waarin wordt benadrukt dat de tussenkomst van een arts-psychiater op dit punt “onontbeerlijk” is.
Het beroep is ongegrond.