Ga verder naar de inhoud

BC/22-0004

Fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Mesure d'ordre
ORDEMAATREGEL - ARBEID - ONTSLAG - HOORPLICHT

De geldende richtlijnen omtrent arbeid schrijven voor dat een gedetineerde door de directeur kan worden afgezet van werk met een ordemaatregel indien de gedetineerde niet geschikt is voor een arbeidspost, omdat hij niet de vereiste technische kwaliteiten heeft, of omdat hij om een andere reden niet geschikt is voor de arbeidspost. In casu werd de beslissing tot afzetting van werk schriftelijk en op gemotiveerde wijze opgesteld.

De beroepscommissie stelt dat de Basiswet niet voorziet in een specifieke procedure voor de afzetting van werk van een gedetineerde. Bij afwezigheid van een uitdrukkelijke wettelijke regeling inzake (een procedure tot ontslag van een gedetineerde), kan de directie echter op basis van het ongeschreven beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht alsnog verplicht zijn de gedetineerde te horen.
Vooreerst merkt de beroepscommissie op dat het begrip van de hoorplicht minder verregaand is dan de rechten van verdediging (hetgeen enkel in straf- en tuchtzaken geldt). Zo stelt deklachtencommissie in haar motivering ten onrechte dat de hoorplicht steevast de bijstand van een advocaat omvat, quod non. In casu is de beroepscommissie van oordeel dat geïntimeerde niet per definitie een raadsman nodig heeft om zijn standpunt te doen kennen, aangezien hij niet het statuut
van geïnterneerde heeft. De beroepscommissie meent dat bij het opleggen van een ordemaatregel die niet geregeld is bij wet, zoals een afzetting van werk, de directie, in het geval dat aan de voorwaarden voldaan zijn is, de gedetineerde alsnog hierover moet horen, ook in het geval dat er een schriftelijke, gemotiveerde weerslag is van deze beslissing. De beroepscommissie meent dat het horen van geïntimeerde de ontslagbeslissing in casu niet meer had kunnen beïnvloeden.

De beroepscommissie wijst er op dat de directie tegen de geldende richtlijnen gehandeld heeft door geïntimeerde zijn plaats op de werklijst niet te laten
behouden. Deze voorzien immers dat bij de afzetting van werk als ordemaatregel de gedetineerde niet achteraan op de wachtlijst mag komen. Ofschoon de gevolgen in dit geval beperkt waren omdat geïntimeerde relatief snel opnieuw aan de slag kon, beveelt de beroepscommissie de directie ten sterkste aan hier voortaan rekening mee te houden.

Het beroep is gegrond.