Ga verder naar de inhoud

BC/21-0232

Non fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Disciplinaire
TUCHT - BEWIJS - VERMOEDEN VAN ONSCHULD - MEDEPLICHTIGHEID

De beroepscommissie is van oordeel dat de directie niet redelijkerwijze kon bewijzen dat de flessen alcohol in de kast van klager ook werkelijk van hem waren. De voormalige celgenoot van klager zou van in het begin gezegd hebben dat de flessen van hem waren, ook al werd dat niet genoteerd in het RAD. Hij heeft dat nadien nog schriftelijk bevestigd. Bovendien zijn er geen elementen die doen geloven dat klager van de flessen had moeten weten. Hij was weg op het moment dat zijn celgenoot de cel aan het opkuisen was. Dat de celgenoot op dat moment de flessen heeft verplaatst naar de persoonlijke kast van klager is niet ongeloofwaardig. In dat geval kon klager hier uiteraard geen kennis van hebben, aangezien hij op dat moment aan het werk was. Hij heeft dan ook niet de kans gehad om de directie hiervan in te lichten. De directie kon de feiten niet redelijkerwijze als bewezen achten en kon ze niet toerekenen aan klager.

De beroepscommissie oordeelt dat het beroep van het inrichtingshoofd ongegrond is. Ze bevestigt de beslissing van de klachtencommissie om de klacht gegrond te verklaren.