Ga verder naar de inhoud

BC/21-0214

Fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Mesure d'ordre
ORDEMAATREGEL - ONTSLAG - HOORPLICHT - MOTIVERING

De directeur beschikt over een discretionaire bevoegdheid bij het toewijzen van arbeid aan een bepaalde gedetineerde. Hij oordeelt dus vrij over de geschiktheid van de betrokken gedetineerde voor diens tewerkstelling op een bepaalde werkplaats of in een bepaalde (vertrouwens)functie. Ten aanzien van de gedetineerde die een vertrouwensfunctie uitoefent, kan de omstandigheid van het niet opvolgen van bevelen een zekere ernst hebben. Het uitoefenen van een vertrouwensfunctie impliceert immers een bepaalde loyauteit naar de directie en het bestaan van een wederzijds vertrouwen en respect tussen directie en personeel enerzijds en de gedetineerde anderzijds. Wanneer men dan bevelen negeert of een bepaalde agressieve houding aanneemt, kan dat die vertrouwensrelatie op de helling zetten, waardoor het aanblijven in de vertrouwensfunctie onmogelijk wordt. In dat geval kan de directie beslissen dat iemand niet meer geschikt is om deze functie in te vullen. Deze mogelijkheid staat eveneens beschreven in het reglement betreffende de tewerkstelling.

In dit dossier beschrijft het RAD een situatie waarbij klager verschillende bevelen van een beambte niet opvolgt, zodat de beambte assistentie moet vragen. Deze situatie toont aan dat bepaalde vereisten, zoals onder meer het kunnen bevelen opvolgen van personeel, niet meer aanwezig waren bij klager, zodat hij niet meer geschikt was voor de betrokken vertrouwensfunctie. De beroepscommissie is van oordeel dat er om die reden voldoende elementen waren om een ontslagbeslissing te rechtvaardigen.

De wet schrijft geen strikt te volgen procedure voor bij een ordemaatregel. Dat klager niet eerst gehoord werd, heeft dan ook niet de nietigheid van de beslissing tot gevolg.

De beroepscommissie is van oordeel dat de ordemaatregel afdoende gemotiveerd is. Dat de betwiste ordemaatregel gebaseerd is op het gedrag van klager en die maatregel nadelige gevolgen heeft voor hem, volstaat niet om aan te nemen dat de directie klager met die maatregel in werkelijkheid voor een disciplinaire tekortkoming wou bestraffen. De beroepscommissie ziet geen elementen die aantonen dat de ordemaatregel tot afzetting van werk in strijd is met de wet, noch met de redelijkheid en billijkheid.

Het beroep is gegrond. De beroepscommissie vernietigt de beslissing van de klachtencommissie en bevestigt de ordemaatregel tot afzetting van werk.