Ga verder naar de inhoud

BC/21-0166

Non fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Transfèrement
OVERPLAATSING - PROPORTIONALITEIT - PRIVELEVEN

Het beroep is gericht tegen de beslissing van de Directeur-generaal Penitentiaire Inrichtingen naar aanleiding van een overplaatsing naar de PI van Brugge.
De Beroepscommissie benadrukt dat zij zich in principe niet in de plaats stelt van de Directeur-Generaal bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Zij gaat na of de beslissing omtrent het bezwaarschrift genomen is rekening houdend met de wettelijke voorschriften en de redelijkheid en billijkheid.

Bij een beslissing tot (over)plaatsing moet men rekening houden met de bestemming van de gevangenis en het individueel detentieplan.
De penitentiaire administratie beschikt over een zekere appreciatiemarge in het nemen van de beslissing tot overplaatsen. Zij houdt hiervoor onder meer rekening met het juridisch statuut van de gedetineerde, met de gevaarsnotie, de graad van sociabiliteit en de graad van kwetsbaarheid van de persoon van de gedetineerde. Ondanks haar appreciatiemarge, moet de penitentiaire administratie wel handelen als een redelijke overheidsinstantie en moet ze voldoen aan de wettelijke
normen. Zo moet men rekening houden met het recht op eerbiediging van privé, familie- en gezinsleven. Dit geeft echter geen recht aan de gedetineerde om de plaats van detentie te kiezen. Het gescheiden en verwijderd zijn van familieleden is een onvermijdelijk gevolg van de detentie. Wel is het essentieel dat de penitentiaire administratie de gedetineerde helpt om zijn familieleven in stand te houden. Er bestaat dus een zekere positieve verplichting in hoofde van de penitentiaire administratie om de gedetineerde te helpen zijn familieleven in stand te houden en de familieband niet onhoudbaar te maken, bijvoorbeeld wanneer het in de realiteit onmogelijk is om bezoek te krijgen.

In dit dossier geeft de Directeur-Generaal of diens vervanger aan dat zij erkennen dat de reisafstand naar de PI Brugge een zeker ongemak met zich meebrengt. De reisafstand zorgt er echter niet voor dat het bezoek niet doenbaar is en sluit het in stand houden van de familieband, noch met zijn vader, noch met zijn partner en kind niet uit. Dit argument werd wel degelijk in rekening gebracht bij het nemen van de beslissing tot overplaatsing en bij de belangenafweging.
Bij de overweging tot overplaatsing staan immers nog andere elementen centraal. Zo beschrijft de Directeur-Generaal uitgebreid waarom men kiest voor een beter veiligheidsklimaat en een geschiktere omkadering zoals in de gevangenis van Brugge. De overbevolking kan ook meespelen in deze overweging, nu dit onvermijdelijk een impact heeft op de geschiktheid van het leefklimaat voor appellant. De Beroepscommissie acht het niet onredelijk dat de gevangenissen van Antwerpen en Mechelen om die reden niet de beste optie zijn voor appellant. Daarnaast besluit de Beroepscommissie dat ook het argument omtrent een verblijf in Leuven Centraal redelijk is, nu er voor het leven in een gemeenschapsregime toch een bepaald detentiegedrag nodig is.

De Beroepscommissie besluit dat de beslissing van de Directeur-Generaal in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften en de redelijkheid en billijkheid.

De klacht is ongegrond.