KC38/26-0023
Fondée
KC - Dendermonde-Hulp
Commission des plaintes
Autre décision directeur
ARBEID - ONTSLAG - TUCHT
Klager gaat niet akkoord dat hij zijn job in het werkhuis is verloren door een ATV-sanctie. Hij heeft geen schriftelijke ontslagbeslissing ontvangen en volgens hem was er ook geen reden voor zijn ontslag omdat de tuchtinbreuk niets te maken had met zijn werk. De directie verklaart dat zij vaststelde dat na afloop van de ATV-sanctie de werkpost van klager al was ingenomen zodat zijn werk niet meer beschikbaar was en klager op de wachtlijst voor werk werd gezet. Aangezien de directeur bevoegd is voor de toewijzing van de beschikbare arbeid aan de gedetineerden die hierom hebben gevraagd, is de beslissing van de directie om de werkpost van klager toe te wijzen aan iemand anders en klager op de wachtlijst te plaatsen, een beslissing waartegen klager klacht kan indienen. Aangezien klager niet schriftelijk in kennis werd gesteld van deze beslissing en de mogelijkheid om hier binnen de zeven dagen klacht in te dienen, is de termijn om klacht in te dienen, niet beginnen lopen. De klacht is ontvankelijk.
De klachtencommissie stelt in eerste instantie vast dat klager geen schriftelijke beslissing heeft ontvangen waarin werd gemotiveerd waarom hij werd ontslagen uit het werkhuis. Klager weet enkel dat hij van de werkerslijst werd gehaald. Uit het verweer van de directie blijkt overigens niet dat klager is ontslagen omdat de directie hem niet meer geschikt achtte voor de job. Hij is louter ontslagen omdat hij gedurende zijn vijf dagen ATV niet mocht deelnemen aan activiteiten in gemeenschappelijk verband, zoals zijn werk. Gelet op deze omstandigheden is de klachtencommissie van oordeel dat het ontslag van klager zich voordoet als een tweede (verdoken) tuchtsanctie, boven op de vijf ATV, hetgeen in strijd is met artikel 143, §3 van de Basiswet waarin wordt gesteld dat de sanctie van de afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte alleen kan worden opgelegd met uitsluiting van de andere tuchtsancties. Om deze redenen is de klacht tegen de afzetting van werk gegrond. Artikel 158, §4, eerste lid van de Basiswet bepaalt dat de directeur de gevolgen van de vernietigde beslissing, voor zover mogelijk, ongedaan maakt. Dit betekent dat klager zijn job in het werkhuis onmiddellijk herneemt, indien er plaats is. Indien er geen plaats is, dient klager bovenaan de wachtlijst hiervoor geplaatst te worden. Bijgevolg komt de gegrondverklaring van de klacht overeen met de vraag van klager in zijn klacht om hersteld te worden in zijn functie zodat de klachtencommissie geen tegemoetkoming toekent.
Klager gaat niet akkoord dat hij zijn job in het werkhuis is verloren door een ATV-sanctie. Hij heeft geen schriftelijke ontslagbeslissing ontvangen en volgens hem was er ook geen reden voor zijn ontslag omdat de tuchtinbreuk niets te maken had met zijn werk. De directie verklaart dat zij vaststelde dat na afloop van de ATV-sanctie de werkpost van klager al was ingenomen zodat zijn werk niet meer beschikbaar was en klager op de wachtlijst voor werk werd gezet. Aangezien de directeur bevoegd is voor de toewijzing van de beschikbare arbeid aan de gedetineerden die hierom hebben gevraagd, is de beslissing van de directie om de werkpost van klager toe te wijzen aan iemand anders en klager op de wachtlijst te plaatsen, een beslissing waartegen klager klacht kan indienen. Aangezien klager niet schriftelijk in kennis werd gesteld van deze beslissing en de mogelijkheid om hier binnen de zeven dagen klacht in te dienen, is de termijn om klacht in te dienen, niet beginnen lopen. De klacht is ontvankelijk.
De klachtencommissie stelt in eerste instantie vast dat klager geen schriftelijke beslissing heeft ontvangen waarin werd gemotiveerd waarom hij werd ontslagen uit het werkhuis. Klager weet enkel dat hij van de werkerslijst werd gehaald. Uit het verweer van de directie blijkt overigens niet dat klager is ontslagen omdat de directie hem niet meer geschikt achtte voor de job. Hij is louter ontslagen omdat hij gedurende zijn vijf dagen ATV niet mocht deelnemen aan activiteiten in gemeenschappelijk verband, zoals zijn werk. Gelet op deze omstandigheden is de klachtencommissie van oordeel dat het ontslag van klager zich voordoet als een tweede (verdoken) tuchtsanctie, boven op de vijf ATV, hetgeen in strijd is met artikel 143, §3 van de Basiswet waarin wordt gesteld dat de sanctie van de afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte alleen kan worden opgelegd met uitsluiting van de andere tuchtsancties. Om deze redenen is de klacht tegen de afzetting van werk gegrond. Artikel 158, §4, eerste lid van de Basiswet bepaalt dat de directeur de gevolgen van de vernietigde beslissing, voor zover mogelijk, ongedaan maakt. Dit betekent dat klager zijn job in het werkhuis onmiddellijk herneemt, indien er plaats is. Indien er geen plaats is, dient klager bovenaan de wachtlijst hiervoor geplaatst te worden. Bijgevolg komt de gegrondverklaring van de klacht overeen met de vraag van klager in zijn klacht om hersteld te worden in zijn functie zodat de klachtencommissie geen tegemoetkoming toekent.