KC34/25-0023
Fondée
KC - Hoogstraten
Commission des plaintes
Mesure de sécurité particulière
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - VERBODEN SUBSTANTIES
Klager dient klacht in tegen de beslissing van 29/04/2025 om de bijzondere veiligheidsmaatregel met zeven dagen te verlengen. De bijzondere veiligheidsmaatregel zou normaal gezien op 29/04/2025 om 16u00 beëindigd worden.
De klachtencommissie is van oordeel dat in de voorliggende situatie geen bijzondere veiligheidsmaatregel, maar wel een tuchtsanctie had moeten worden opgelegd. De feiten die aanleiding geven tot de bijzondere veiligheidsmaatregel, namelijk het bezit van door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, zijn immers ook feiten die aanleiding kunnen geven tot een tuchtprocedure. Artikel 111, § 2 van de Basiswet bepaalt immers uitdrukkelijk dat wanneer de feiten die aanleiding kunnen geven tot een bijzondere veiligheidsmaatregel eveneens het karakter van een tuchtrechtelijke inbreuk hebben, enkel de tuchtprocedure wordt ingesteld. Indien de directie van oordeel is dat er na deze tuchtsanctie een gevaar is voor de orde en veiligheid, dan kan zij overgaan tot het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel.
Uit het verweer van de directie blijkt echter dat geen tuchtprocedure werd opgestart. De klachtencommissie is van oordeel dat artikel 111 van de Basiswet hierdoor geschonden werd. De bijzondere veiligheidsmaatregel werd immers opgelegd als een verdoken tuchtsanctie.
Om die redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de beslissing tot het verlengen van de bijzondere veiligheidsmaatregel van 29/04/2025.
Klager dient klacht in tegen de beslissing van 29/04/2025 om de bijzondere veiligheidsmaatregel met zeven dagen te verlengen. De bijzondere veiligheidsmaatregel zou normaal gezien op 29/04/2025 om 16u00 beëindigd worden.
De klachtencommissie is van oordeel dat in de voorliggende situatie geen bijzondere veiligheidsmaatregel, maar wel een tuchtsanctie had moeten worden opgelegd. De feiten die aanleiding geven tot de bijzondere veiligheidsmaatregel, namelijk het bezit van door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, zijn immers ook feiten die aanleiding kunnen geven tot een tuchtprocedure. Artikel 111, § 2 van de Basiswet bepaalt immers uitdrukkelijk dat wanneer de feiten die aanleiding kunnen geven tot een bijzondere veiligheidsmaatregel eveneens het karakter van een tuchtrechtelijke inbreuk hebben, enkel de tuchtprocedure wordt ingesteld. Indien de directie van oordeel is dat er na deze tuchtsanctie een gevaar is voor de orde en veiligheid, dan kan zij overgaan tot het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel.
Uit het verweer van de directie blijkt echter dat geen tuchtprocedure werd opgestart. De klachtencommissie is van oordeel dat artikel 111 van de Basiswet hierdoor geschonden werd. De bijzondere veiligheidsmaatregel werd immers opgelegd als een verdoken tuchtsanctie.
Om die redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de beslissing tot het verlengen van de bijzondere veiligheidsmaatregel van 29/04/2025.