KC34/25-0021
Non fondée
Fondée
Irrecevable
KC - Hoogstraten
Commission des plaintes
Transfèrement
Autre décision directeur
Disciplinaire
Fouille à corps
FOUILLE OP HET LICHAAM - UITVOERING - TUCHT - ONDERZOEK AAN DE KLEDIJ - TRANSFER
De klachten betreffen een fouillering op het lichaam, de uitvoering van de fouillering op het lichaam, een tuchtbeslissing, een onderzoek aan de kledij, de uitvoering van het onderzoek aan de kledij en een overplaatsing van de directie van de gevangenis van Hoogstraten.
Over de naaktfouille: de klachtencommissie dient op te merken dat de bijlage 2 bij de CB nr. 141 niet zorgvuldig werd ingevuld, met name het tijdstip van de beslissing tot fouillering op het lichaam werd door de directie niet (correct) ingevuld. Bovendien heeft de directie in haar verweer ook verklaard dat de directie de naaktfouille op 25/04/2025 heeft bevolen en niet op 26/04/2025 zoals vermeld op haar beslissing. De datum komt derhalve niet overeen met de datum op de beslissing.
De beslissing van de directeur tot fouillering op het lichaam dient voorafgaand aan de eigenlijke fouillering genomen te worden. Vermits er door de directie geen uur van de beslissing werd ingevuld, kan de klachtencommissie dus niet nagaan of de fouillering op het lichaam van klager daadwerkelijk na de beslissing van de directie werd uitgevoerd. De klacht tegen de beslissing tot fouillering op het lichaam is om deze redenen gegrond. De klachtencommissie vernietigt deze beslissing. De klachtencommissie kent aan klager de volgende tegemoetkoming toe: 15 belminuten, op te nemen en toe te kennen binnen een termijn van één maand.
Over de uitvoering van de naaktfouille: de verschillende stappen van de uitvoering worden vastgelegd in bijlage 3 van de Collectieve brief nr. 141 van 10 september 2018. In het voorliggend dossier voert klager aan dat er een vrouwelijke beambte tijdens de naaktfouille aanwezig was. De directie heeft in haar verweer niets over de uitvoering van de naaktfouille van 26/04/2025 geschreven. Zij verduidelijkt ook niet of zij het personeel hieromtrent heeft bevraagd. De klachtencommissie ziet in het voorliggend dossier voldoende redenen om aan te nemen dat de procedure t.a.v. klager niet correct gevolgd werd. De klacht m.b.t. de uitvoering van de naaktfouille is om deze redenen gegrond.
Over de tuchtbeslissing: de klachtencommissie ziet geen reden waarom de directie zich bij het nemen van de bestreden beslissing niet had mogen steunen op het RAD. De directie kon de feiten, zoals die duidelijk en uitdrukkelijk in het RAD werden beschreven, voor waar en als voldoende aannemen. De motivering voldoet volgens de klachtencommissie ook aan de vereisten van artikel 8 van de Basiswet, aangezien deze ingaat op de elementen waaruit het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties blijkt.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie rekening heeft gehouden met de omvang van de feiten en geen onredelijk zware straf heeft opgelegd. Om bovenstaande redenen is de klacht ongegrond.
Over de uitvoering van het onderzoek aan de kledij: de verschillende stappen van de uitvoering worden vastgelegd in bijlage 1 van de Collectieve brief nr. 141 van 30 januari 2017. Zo staat er dat klager aangekleed blijft. In functie van de instructies van de directeur wordt de gedetineerde uitgenodigd de jas, de broeksriem, schoenen en kousen uit te doen en zijn voetzolen te tonen. Klager schrijft in zijn klacht dat hij na een bezoek op 21/05/2025 om 19.40 uur zijn broek moest uitdoen, omdat hij een short onder zijn broek aanhad.
De directie heeft in haar verweer niets geschreven over de uitvoering van het onderzoek aan de kledij. Zij verduidelijkt ook niet of zij het personeel hieromtrent heeft bevraagd. De klachtencommissie ziet in het voorliggend dossier voldoende redenen om aan te nemen dat de procedure t.a.v. klager niet correct gevolgd werd. De klacht m.b.t. de uitvoering van het onderzoek aan de kledij is om deze redenen gegrond.
Over de overplaatsing: een beslissing om een gedetineerde al dan niet over te plaatsen naar een andere gevangenis behoort niet tot de bevoegdheid van de gevangenisdirecteur, maar van de onderzoeksrechter of de Directie Detentiebeheer (“DDB”) van het Directoraat-Generaal Penitentiaire Inrichtingen (“DG EPI”). De lokale gevangenisdirectie beslist dit dus niet. De klacht is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
De klachten betreffen een fouillering op het lichaam, de uitvoering van de fouillering op het lichaam, een tuchtbeslissing, een onderzoek aan de kledij, de uitvoering van het onderzoek aan de kledij en een overplaatsing van de directie van de gevangenis van Hoogstraten.
Over de naaktfouille: de klachtencommissie dient op te merken dat de bijlage 2 bij de CB nr. 141 niet zorgvuldig werd ingevuld, met name het tijdstip van de beslissing tot fouillering op het lichaam werd door de directie niet (correct) ingevuld. Bovendien heeft de directie in haar verweer ook verklaard dat de directie de naaktfouille op 25/04/2025 heeft bevolen en niet op 26/04/2025 zoals vermeld op haar beslissing. De datum komt derhalve niet overeen met de datum op de beslissing.
De beslissing van de directeur tot fouillering op het lichaam dient voorafgaand aan de eigenlijke fouillering genomen te worden. Vermits er door de directie geen uur van de beslissing werd ingevuld, kan de klachtencommissie dus niet nagaan of de fouillering op het lichaam van klager daadwerkelijk na de beslissing van de directie werd uitgevoerd. De klacht tegen de beslissing tot fouillering op het lichaam is om deze redenen gegrond. De klachtencommissie vernietigt deze beslissing. De klachtencommissie kent aan klager de volgende tegemoetkoming toe: 15 belminuten, op te nemen en toe te kennen binnen een termijn van één maand.
Over de uitvoering van de naaktfouille: de verschillende stappen van de uitvoering worden vastgelegd in bijlage 3 van de Collectieve brief nr. 141 van 10 september 2018. In het voorliggend dossier voert klager aan dat er een vrouwelijke beambte tijdens de naaktfouille aanwezig was. De directie heeft in haar verweer niets over de uitvoering van de naaktfouille van 26/04/2025 geschreven. Zij verduidelijkt ook niet of zij het personeel hieromtrent heeft bevraagd. De klachtencommissie ziet in het voorliggend dossier voldoende redenen om aan te nemen dat de procedure t.a.v. klager niet correct gevolgd werd. De klacht m.b.t. de uitvoering van de naaktfouille is om deze redenen gegrond.
Over de tuchtbeslissing: de klachtencommissie ziet geen reden waarom de directie zich bij het nemen van de bestreden beslissing niet had mogen steunen op het RAD. De directie kon de feiten, zoals die duidelijk en uitdrukkelijk in het RAD werden beschreven, voor waar en als voldoende aannemen. De motivering voldoet volgens de klachtencommissie ook aan de vereisten van artikel 8 van de Basiswet, aangezien deze ingaat op de elementen waaruit het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties blijkt.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie rekening heeft gehouden met de omvang van de feiten en geen onredelijk zware straf heeft opgelegd. Om bovenstaande redenen is de klacht ongegrond.
Over de uitvoering van het onderzoek aan de kledij: de verschillende stappen van de uitvoering worden vastgelegd in bijlage 1 van de Collectieve brief nr. 141 van 30 januari 2017. Zo staat er dat klager aangekleed blijft. In functie van de instructies van de directeur wordt de gedetineerde uitgenodigd de jas, de broeksriem, schoenen en kousen uit te doen en zijn voetzolen te tonen. Klager schrijft in zijn klacht dat hij na een bezoek op 21/05/2025 om 19.40 uur zijn broek moest uitdoen, omdat hij een short onder zijn broek aanhad.
De directie heeft in haar verweer niets geschreven over de uitvoering van het onderzoek aan de kledij. Zij verduidelijkt ook niet of zij het personeel hieromtrent heeft bevraagd. De klachtencommissie ziet in het voorliggend dossier voldoende redenen om aan te nemen dat de procedure t.a.v. klager niet correct gevolgd werd. De klacht m.b.t. de uitvoering van het onderzoek aan de kledij is om deze redenen gegrond.
Over de overplaatsing: een beslissing om een gedetineerde al dan niet over te plaatsen naar een andere gevangenis behoort niet tot de bevoegdheid van de gevangenisdirecteur, maar van de onderzoeksrechter of de Directie Detentiebeheer (“DDB”) van het Directoraat-Generaal Penitentiaire Inrichtingen (“DG EPI”). De lokale gevangenisdirectie beslist dit dus niet. De klacht is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.