Ga verder naar de inhoud

KC34/25-0012

Non fondée KC - Hoogstraten Commission des plaintes Mesure d'ordre
ORDEMAATREGEL - ONTSLAG - ARBEID

De klacht betreft een ontslagbeslissing van de directie van de gevangenis van Hoogstraten. Op grond van de Basiswet heeft een gedetineerde het recht om deel te nemen aan de in de gevangenis beschikbare arbeid. Het is de directeur die bevoegd is voor de toewijzing van de beschikbare arbeid aan de gedetineerde die erom vraagt. Deze bevoegdheid van de directeur wordt niet nader geregeld in de Basiswet. De beslissingen die de directeur in dit kader neemt, moeten dus niet aan specifieke voorwaarden voldoen. Het toewijzen van arbeid is dus een discretionaire en geen gebonden bevoegdheid van de directeur. Dit betekent dat de directeur vrij oordeelt over de geschiktheid van een gedetineerde voor een bepaalde werkplaats of een bepaalde functie.
De beslissing om iemand te ontslaan uit een functie moet wel aan een aantal algemene voorwaarden voldoen op grond van de Basiswet. Alle beslissingen die in het kader van de Basiswet worden genomen, moeten immers met redenen omkleed zijn. De redenen van de beslissing dienen de gedetineerde toe te laten te begrijpen waarom het werk niet langer als “passend werk” kan worden beschouwd. De directie is als administratieve overheid bovendien gebonden door het zorgvuldigheidsbeginsel. Het zorgvuldigheidsbeginsel vereist onder meer dat de gedetineerde actief wordt geïnformeerd over een beslissing.

De klachtencommissie betreurt dat klager zijn functie is kwijtgeraakt als gevolg van een misverstand naar aanleiding van een samenloop van omstandigheden. Uit de stukken blijkt echter dat de directie ervan uitging dat klager definitief niet langer als wasser wilde werken nadat hij melding had gemaakt van bedreigingen en die dag op zijn cel bleef. Later werd duidelijk dat klager enkel tijdelijk niet meer wilde werken en dat hij zijn functie wilde behouden. Hoewel er sprake was van een miscommunicatie acht de klachtencommissie het niet onredelijk dat de directie ervan uitging dat klager definitief wou stoppen.

Desondanks begrijpt de klachtencommissie dat verdere samenwerking tussen klager en de medegedetineerde niet wenselijk is. Uit het verweer van de directie blijkt dat ze klager de mogelijkheid zou geven om via een nieuwe werkaanvraag een andere functie te krijgen, waarbij hij met voorrang geplaatst zou worden. Gezien deze omstandigheden, acht de klachtencommissie de ontslagbeslissing niet onwettig, onredelijk of onbillijk.

Om deze redenen is de klacht niet gegrond.