KC34/24-0011
Non fondée
Fondée
KC - Hoogstraten
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
Mesure d'ordre
VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING - VERBODEN SUBSTANTIE - TUCHT - ORDEMAATREGEL - ARBEID - ONTSLAG
De klacht is drievoudig en betreft: een voorlopige maatregel, een tuchtbeslissing en een afzetting van werk.
Wat betreft de voorlopige maatregel:
Klager kreeg een voorlopige maatregel opgelegd voor “de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid”. Klager kreeg hiervoor “ATV regime” opgelegd. De klachtencommissie merkt op dat in de motivering geen enkel individueel element wordt aangehaald waaruit blijkt dat iemands fysieke integriteit in het gevaar wordt gebracht, dan wel dat de goederen gevaar lopen van beschadiging, vernieling of ontvreemding. Er wordt enkel gesproken over het feit dat klager verboden substantie/broodjes probeerde binnen te smokkelen in de inrichting.
Een impliciete motivering is bovendien onvoldoende, aangezien het gaat om een schriftelijke maatregel. Het formeel motiveringsbeginsel vereist dat de motieven die ten grondslag liggen aan de (schriftelijke) beslissing uit de beslissing zelf blijken. De klachtencommissie stelt vast dat dit niet het geval is. Bovendien merkt de klachtencommissie op dat aan klager een voorlopige maatregel werd opgelegd die niet door de Basiswet voorzien is.
In de voorlopige maatregel werd de optie “uitsluiting van individuele of gemeenschappelijke activiteiten” aangeduid. De directie noteerde hier vervolgens bij “ATV regime”. Het is voor de klachtencommissie onduidelijk aan welke maatregel klager onderworpen werd: verplicht verblijf in
de toegewezen verblijfsruimte (wat de kern vormt van het ATV regime), dan wel een uitsluiting van alle (individuele en gemeenschappelijke) activiteiten. De klachtencommissie meent dat de directie hiermee ingaat tegen het motiveringsbeginsel, zoals vervat in artikel 8 van de Basiswet, maar eveneens tegen de wettelijke opties die artikel 145 juncto artikel 145 van de Basiswet biedt. Om bovenstaande redenen is de klacht gegrond.
Wat betreft de tuchtbeslissing:
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties.
De klachtencommissie meent dat het RAD duidelijk en nauwkeurig is. Ze ziet geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van het RAD, ondanks de ontkenning van klager. De klachtencommissie gaat ervanuit dat, indien er effectief groenafval in de kar had gelegen dat meer
was dan een beetje gras, dit in het RAD zou hebben gestaan. De directie kon de feiten dus redelijkerwijze als bewezen beschouwen.
Klager kreeg hiervoor een tuchtsanctie opgelegd van 7 dagen ATV. De maximumsanctie voor een tuchtinbreuk van de eerste categorie is 30 dagen ATV. De tuchtsanctie is in elk geval dus wettelijk. De klachtencommissie acht de tuchtsanctie bovendien ook niet onredelijk, gegeven het maximum dat de directie kon opleggen. Om deze redenen, is de klacht ongegrond.
Wat betreft de afzetting van werk:
Klager werd afgezet van zijn werk naar aanleiding van de tuchtbeslissing. De klachtencommissie acht dit redelijk, aangezien de tuchtinbreuk werd begaan tijdens de uitoefening van zijn werk. De directie kan dan ook redelijkerwijze besluiten dat klager niet geschikt is voor de arbeidspost.
Om deze redenen is de klacht ongegrond.
De klacht is drievoudig en betreft: een voorlopige maatregel, een tuchtbeslissing en een afzetting van werk.
Wat betreft de voorlopige maatregel:
Klager kreeg een voorlopige maatregel opgelegd voor “de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid”. Klager kreeg hiervoor “ATV regime” opgelegd. De klachtencommissie merkt op dat in de motivering geen enkel individueel element wordt aangehaald waaruit blijkt dat iemands fysieke integriteit in het gevaar wordt gebracht, dan wel dat de goederen gevaar lopen van beschadiging, vernieling of ontvreemding. Er wordt enkel gesproken over het feit dat klager verboden substantie/broodjes probeerde binnen te smokkelen in de inrichting.
Een impliciete motivering is bovendien onvoldoende, aangezien het gaat om een schriftelijke maatregel. Het formeel motiveringsbeginsel vereist dat de motieven die ten grondslag liggen aan de (schriftelijke) beslissing uit de beslissing zelf blijken. De klachtencommissie stelt vast dat dit niet het geval is. Bovendien merkt de klachtencommissie op dat aan klager een voorlopige maatregel werd opgelegd die niet door de Basiswet voorzien is.
In de voorlopige maatregel werd de optie “uitsluiting van individuele of gemeenschappelijke activiteiten” aangeduid. De directie noteerde hier vervolgens bij “ATV regime”. Het is voor de klachtencommissie onduidelijk aan welke maatregel klager onderworpen werd: verplicht verblijf in
de toegewezen verblijfsruimte (wat de kern vormt van het ATV regime), dan wel een uitsluiting van alle (individuele en gemeenschappelijke) activiteiten. De klachtencommissie meent dat de directie hiermee ingaat tegen het motiveringsbeginsel, zoals vervat in artikel 8 van de Basiswet, maar eveneens tegen de wettelijke opties die artikel 145 juncto artikel 145 van de Basiswet biedt. Om bovenstaande redenen is de klacht gegrond.
Wat betreft de tuchtbeslissing:
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties.
De klachtencommissie meent dat het RAD duidelijk en nauwkeurig is. Ze ziet geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van het RAD, ondanks de ontkenning van klager. De klachtencommissie gaat ervanuit dat, indien er effectief groenafval in de kar had gelegen dat meer
was dan een beetje gras, dit in het RAD zou hebben gestaan. De directie kon de feiten dus redelijkerwijze als bewezen beschouwen.
Klager kreeg hiervoor een tuchtsanctie opgelegd van 7 dagen ATV. De maximumsanctie voor een tuchtinbreuk van de eerste categorie is 30 dagen ATV. De tuchtsanctie is in elk geval dus wettelijk. De klachtencommissie acht de tuchtsanctie bovendien ook niet onredelijk, gegeven het maximum dat de directie kon opleggen. Om deze redenen, is de klacht ongegrond.
Wat betreft de afzetting van werk:
Klager werd afgezet van zijn werk naar aanleiding van de tuchtbeslissing. De klachtencommissie acht dit redelijk, aangezien de tuchtinbreuk werd begaan tijdens de uitoefening van zijn werk. De directie kan dan ook redelijkerwijze besluiten dat klager niet geschikt is voor de arbeidspost.
Om deze redenen is de klacht ongegrond.