KC34/22-0031
Fondée
Irrecevable
KC - Hoogstraten
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Mesure de sécurité particulière
Pas de décision du directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - VOORLOPIGE MAATREGEL - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL -
De klacht tegen het gedrag van de directie betreft geen beslissing van de directeur en is dus niet ontvankelijk. De klachtencommissie zal zich dan ook niet inhoudelijk uitspreken over dit punt. Dit deel van de klacht is niet ontvankelijk.
De Basiswet maakt het mogelijk dat bij ‘een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid’ een voorlopige maatregel kan worden opgelegd die bestaat uit de plaatsing op een beveiligde cel. Klager weigerde om op cel te blijven en dreigde daarbij met fysieke agressie.De klachtencommissie begrijpt dat er in deze omstandigheden een voorlopige maatregel werd opgelegd en dit om zo snel mogelijk te kunnen ingrijpen. De voorwaarden voor de voorlopige maatregel zijn voldaan. Klager betwist enkel de feiten die aan de basis liggen van de voorlopige maatregel en brengt verder geen elementen aan waarom deze voorlopige maatregel niet kon worden opgelegd.
De klacht tegen de voorlopige maatregel is ongegrond.
Bijzondere veiligheidsmaatregelen mogen niet het karakter hebben van een tuchtsanctie. De basiswet voorziet dat wanneer de feiten een tuchtinbreuk uitmaken, hiervoor een tuchtprocedure gevolgd dient te worden.
Een voorlopige maatregel kan volgens dezelfde Basiswet enkel gevolgd worden door een tuchtprocedure gezien zij hierin kadert. In de bijzondere veiligheidsmaatregel (‘BVM’) werd ook verwezen naar de eerder opgelegde voorlopige maatregel waardoor deze ook samenhangt met de BVM voor wat de aanleiding betreft.
De klachtencommissie stelt conform de criteria uit de rechtspraak van de Raad van State vast dat uit het geheel van het administratief dossier blijkt dat de bestreden BVM er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekte klager te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen en zich niet louter voordoet als maatregel van inwendige orde.
Ze merkt ook op dat de directie in zijn verweer zelfs spreekt van ‘tuchtbeslissing’ terwijl in feite een BVM werd opgelegd. De voorlopige maatregel diende dus gevolgd te worden door een tuchtprocedure.
Door aldus een BVM op te leggen na de voorlopige maatregel, omzeilde de directie in het bijzonder de waarborg van het recht op bijstand van een advocaat bij een tuchtprocedure. Zij verwijst naar de rechtspraak van de beroepscommissie die oordeelde dat dit een schending van de rechten van verdediging van klager inhoudt. De klacht tegen de bijzondere veiligheidsmaatregel is gegrond.
De klacht tegen het gedrag van de directie betreft geen beslissing van de directeur en is dus niet ontvankelijk. De klachtencommissie zal zich dan ook niet inhoudelijk uitspreken over dit punt. Dit deel van de klacht is niet ontvankelijk.
De Basiswet maakt het mogelijk dat bij ‘een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid’ een voorlopige maatregel kan worden opgelegd die bestaat uit de plaatsing op een beveiligde cel. Klager weigerde om op cel te blijven en dreigde daarbij met fysieke agressie.De klachtencommissie begrijpt dat er in deze omstandigheden een voorlopige maatregel werd opgelegd en dit om zo snel mogelijk te kunnen ingrijpen. De voorwaarden voor de voorlopige maatregel zijn voldaan. Klager betwist enkel de feiten die aan de basis liggen van de voorlopige maatregel en brengt verder geen elementen aan waarom deze voorlopige maatregel niet kon worden opgelegd.
De klacht tegen de voorlopige maatregel is ongegrond.
Bijzondere veiligheidsmaatregelen mogen niet het karakter hebben van een tuchtsanctie. De basiswet voorziet dat wanneer de feiten een tuchtinbreuk uitmaken, hiervoor een tuchtprocedure gevolgd dient te worden.
Een voorlopige maatregel kan volgens dezelfde Basiswet enkel gevolgd worden door een tuchtprocedure gezien zij hierin kadert. In de bijzondere veiligheidsmaatregel (‘BVM’) werd ook verwezen naar de eerder opgelegde voorlopige maatregel waardoor deze ook samenhangt met de BVM voor wat de aanleiding betreft.
De klachtencommissie stelt conform de criteria uit de rechtspraak van de Raad van State vast dat uit het geheel van het administratief dossier blijkt dat de bestreden BVM er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekte klager te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen en zich niet louter voordoet als maatregel van inwendige orde.
Ze merkt ook op dat de directie in zijn verweer zelfs spreekt van ‘tuchtbeslissing’ terwijl in feite een BVM werd opgelegd. De voorlopige maatregel diende dus gevolgd te worden door een tuchtprocedure.
Door aldus een BVM op te leggen na de voorlopige maatregel, omzeilde de directie in het bijzonder de waarborg van het recht op bijstand van een advocaat bij een tuchtprocedure. Zij verwijst naar de rechtspraak van de beroepscommissie die oordeelde dat dit een schending van de rechten van verdediging van klager inhoudt. De klacht tegen de bijzondere veiligheidsmaatregel is gegrond.