TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - STRAFMAAT
Klager dient een klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd wegens “het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel”.
De klachtencommissie merkt vooreerst op dat klager enkel tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd voor een tuchtinbreuk van de tweede categorie, namelijk ‘het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel’ (art. 130, 3° Basiswet) en niet voor de tuchtrechtelijke inbreuk van de eerste categorie, namelijk ‘het aanzetten tot of het voeren van collectieve acties’ (art. 129, 6° Basiswet). Het aspect van de klacht over het feit dat klager als initiatiefnemer of opstoker zou worden beschouwd, zoals uiteengezet door de advocaat van klager, is bijgevolg naast de kwestie.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en ook ondertekend werd door twee getuigen van het personeel. Klager weigerde binnen te komen na de wandeling en ontkent dit ook niet tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. Tijdens deze hoorzitting geeft klager immers zelf toe dat dit eerder dit jaar ook reeds gebeurde, maar hij nu dacht dat het met toestemming was van de beambten. De klachtencommissie volgt de motivering van de directie dat klager, gelet op zijn ruime tijd in detentie, goed weet dat hij na de wandeling terug moet binnenkomen en zo de bevelen van het personeel moet opvolgen. Het feit dat vele andere gedetineerden eveneens buiten zouden zijn gebleven, doet geen afbreuk aan zijn individuele verantwoordelijkheid. Nergens wordt bovendien bepaald dat klager eerst een formele verwittiging zou moeten krijgen. In tegenstelling tot wat de advocaat van klager in de klacht stelt, is er volgens de klachtencommissie geenszins sprake van een gebrekkige motivering. De directie heeft immers afdoende gemotiveerd waarom de feiten deze tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van vijftien dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie vijftien dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. Hoewel in de klacht gesteld wordt dat de op gelegde tuchtsanctie disproportioneel zou zijn, is de klachtencommissie van oordeel dat de sanctie niet onredelijk of onbillijk was. Zo zijn er immers ernstige veiligheidsrisico’s en gevolgen gekoppeld aan het weigeren om binnen te gaan na een wandeling, zeker gelet op het grote aantal aanwezige gedetineerden, en heeft klager zelf toegegeven dat hij eerder dit jaar ook al heeft geweigerd om binnen te komen na de wandeling. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie bij de beoordeling van de strafmaat wel degelijk rekening mag houden met het eerdere gedrag van klager, zelfs indien hij hier niet voor tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd, maar klager dit wel tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting heeft toegeven. Klager heeft immers zo zijn recht op tegenspraak over dit punt kunnen uitoefenen. De Basiswet kent geen formeel herhalingsregime (recidive). Dit belet niet dat de directie – binnen de wettelijke marges van de Basiswet – rekening mag houden met aspecten zoals de ernst van de feiten, het (eerder) gedrag van klager, … De directie heeft de discretionaire bevoegdheid om de straf zelf te bepalen en te motiveren binnen de wettelijke grenzen, hetgeen zij in casu correct heeft gedaan. Zij is daarbij geenszins verplicht om een mildere sanctie op te leggen dan het wettelijke maximum voor de desbetreffende tuchtinbreuk louter omwille van het feit dat klager geruime tijd tuchtvrij was. Om deze redenen is de klacht niet gegrond.
Klager dient een klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd wegens “het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel”.
De klachtencommissie merkt vooreerst op dat klager enkel tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd voor een tuchtinbreuk van de tweede categorie, namelijk ‘het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel’ (art. 130, 3° Basiswet) en niet voor de tuchtrechtelijke inbreuk van de eerste categorie, namelijk ‘het aanzetten tot of het voeren van collectieve acties’ (art. 129, 6° Basiswet). Het aspect van de klacht over het feit dat klager als initiatiefnemer of opstoker zou worden beschouwd, zoals uiteengezet door de advocaat van klager, is bijgevolg naast de kwestie.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en ook ondertekend werd door twee getuigen van het personeel. Klager weigerde binnen te komen na de wandeling en ontkent dit ook niet tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. Tijdens deze hoorzitting geeft klager immers zelf toe dat dit eerder dit jaar ook reeds gebeurde, maar hij nu dacht dat het met toestemming was van de beambten. De klachtencommissie volgt de motivering van de directie dat klager, gelet op zijn ruime tijd in detentie, goed weet dat hij na de wandeling terug moet binnenkomen en zo de bevelen van het personeel moet opvolgen. Het feit dat vele andere gedetineerden eveneens buiten zouden zijn gebleven, doet geen afbreuk aan zijn individuele verantwoordelijkheid. Nergens wordt bovendien bepaald dat klager eerst een formele verwittiging zou moeten krijgen. In tegenstelling tot wat de advocaat van klager in de klacht stelt, is er volgens de klachtencommissie geenszins sprake van een gebrekkige motivering. De directie heeft immers afdoende gemotiveerd waarom de feiten deze tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van vijftien dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie vijftien dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. Hoewel in de klacht gesteld wordt dat de op gelegde tuchtsanctie disproportioneel zou zijn, is de klachtencommissie van oordeel dat de sanctie niet onredelijk of onbillijk was. Zo zijn er immers ernstige veiligheidsrisico’s en gevolgen gekoppeld aan het weigeren om binnen te gaan na een wandeling, zeker gelet op het grote aantal aanwezige gedetineerden, en heeft klager zelf toegegeven dat hij eerder dit jaar ook al heeft geweigerd om binnen te komen na de wandeling. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie bij de beoordeling van de strafmaat wel degelijk rekening mag houden met het eerdere gedrag van klager, zelfs indien hij hier niet voor tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd, maar klager dit wel tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting heeft toegeven. Klager heeft immers zo zijn recht op tegenspraak over dit punt kunnen uitoefenen. De Basiswet kent geen formeel herhalingsregime (recidive). Dit belet niet dat de directie – binnen de wettelijke marges van de Basiswet – rekening mag houden met aspecten zoals de ernst van de feiten, het (eerder) gedrag van klager, … De directie heeft de discretionaire bevoegdheid om de straf zelf te bepalen en te motiveren binnen de wettelijke grenzen, hetgeen zij in casu correct heeft gedaan. Zij is daarbij geenszins verplicht om een mildere sanctie op te leggen dan het wettelijke maximum voor de desbetreffende tuchtinbreuk louter omwille van het feit dat klager geruime tijd tuchtvrij was. Om deze redenen is de klacht niet gegrond.