KC33/26-0032
Non fondée
Irrecevable
KC - Wortel
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
Mesure d'ordre
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - TERMIJN
Klager heeft in eerste instantie een klacht ingediend tegen een voorlopige maatregel. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de directie een voorlopige maatregel heeft opgelegd omdat zij van oordeel was dat klager de interne veiligheid ernstig en opzettelijk had aangetast nadat een grote vechtpartij was uitgebroken op de wandeling en klager werd geïdentificeerd als één van de personen die klappen had uitgedeeld. De klachtencommissie heeft ook kennisgenomen van het rapport aan de directeur (RAD) waarin de vaststellingen over de feiten die zich hadden afgespeeld tijdens de avondwandeling werden geregistreerd. Daaruit blijkt dat de opsteller had gezien hoe klager verschillende malen een slag heeft gegeven aan één van de andere gedetineerden tijdens de grote vechtpartij. Op basis van deze eerste vaststellingen blijkt duidelijk dat de interne veiligheid ernstig was aangetast en dat klager hierbij betrokken was. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie terecht heeft beslist om ook aan klager een voorlopige maatregel op te leggen teneinde in de eerste plaats alle betrokken partijen af te zonderen van elkaar zodat nieuwe confrontaties vermeden konden worden om daarna in alle veiligheid de ware toedracht van het incident te onderzoeken. De voorlopige maatregel werd dus niet als straf opgelegd aan klager maar als bewarende maatregel. Om deze redenen is de klacht tegen de voorlopige maatregel ongegrond.
Klager heeft ook een klacht ingediend tegen een tuchtbeslissing van 15.04.2026. Klager diende zijn klacht in op 16.04.2026. Uit de dossierstukken blijkt dat er pas op 17.04.2026 een tuchtsanctie werd uitgesproken door de directie, dus na de indiening van zijn klacht. Bijgevolg kon de klacht enkel gericht zijn tegen het rapport aan de directeur (RAD) van 15.04.2026 die de aanleiding was voor de tuchtbeslissing van 17.04.2026. Het opstellen van een RAD is echter geen beslissing van de directeur maar van een personeelslid. De Basiswet stelt immers dat wanneer een personeelslid een feit vaststelt waarvan hij/zij vermoedt dat het een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakt of wanneer een dergelijke inbreuk hem/haar ter kennis wordt gebracht, hij/zij een rapport aan de directeur opstelt. Deze klacht is bijgevolg niet-ontvankelijk.
Klager heeft tenslotte een klacht ingediend tegen een ordemaatregel van 15.04.2026. Het klachtenbureau deelde mee dat er enkel een voorlopige maatregel werd opgelegd en naderhand een tuchtbeslissing en dus geen ordemaatregel. Bij gebreke aan een beslissing van de directie is deze klacht dus ook niet-ontvankelijk.
Klager heeft in eerste instantie een klacht ingediend tegen een voorlopige maatregel. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de directie een voorlopige maatregel heeft opgelegd omdat zij van oordeel was dat klager de interne veiligheid ernstig en opzettelijk had aangetast nadat een grote vechtpartij was uitgebroken op de wandeling en klager werd geïdentificeerd als één van de personen die klappen had uitgedeeld. De klachtencommissie heeft ook kennisgenomen van het rapport aan de directeur (RAD) waarin de vaststellingen over de feiten die zich hadden afgespeeld tijdens de avondwandeling werden geregistreerd. Daaruit blijkt dat de opsteller had gezien hoe klager verschillende malen een slag heeft gegeven aan één van de andere gedetineerden tijdens de grote vechtpartij. Op basis van deze eerste vaststellingen blijkt duidelijk dat de interne veiligheid ernstig was aangetast en dat klager hierbij betrokken was. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie terecht heeft beslist om ook aan klager een voorlopige maatregel op te leggen teneinde in de eerste plaats alle betrokken partijen af te zonderen van elkaar zodat nieuwe confrontaties vermeden konden worden om daarna in alle veiligheid de ware toedracht van het incident te onderzoeken. De voorlopige maatregel werd dus niet als straf opgelegd aan klager maar als bewarende maatregel. Om deze redenen is de klacht tegen de voorlopige maatregel ongegrond.
Klager heeft ook een klacht ingediend tegen een tuchtbeslissing van 15.04.2026. Klager diende zijn klacht in op 16.04.2026. Uit de dossierstukken blijkt dat er pas op 17.04.2026 een tuchtsanctie werd uitgesproken door de directie, dus na de indiening van zijn klacht. Bijgevolg kon de klacht enkel gericht zijn tegen het rapport aan de directeur (RAD) van 15.04.2026 die de aanleiding was voor de tuchtbeslissing van 17.04.2026. Het opstellen van een RAD is echter geen beslissing van de directeur maar van een personeelslid. De Basiswet stelt immers dat wanneer een personeelslid een feit vaststelt waarvan hij/zij vermoedt dat het een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakt of wanneer een dergelijke inbreuk hem/haar ter kennis wordt gebracht, hij/zij een rapport aan de directeur opstelt. Deze klacht is bijgevolg niet-ontvankelijk.
Klager heeft tenslotte een klacht ingediend tegen een ordemaatregel van 15.04.2026. Het klachtenbureau deelde mee dat er enkel een voorlopige maatregel werd opgelegd en naderhand een tuchtbeslissing en dus geen ordemaatregel. Bij gebreke aan een beslissing van de directie is deze klacht dus ook niet-ontvankelijk.