ONTSLAG
Klager dient een klacht in tegen zijn ontslag.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie de ordemaatregel schriftelijk motiveerde. Klager werd ontslagen uit zijn vertrouwensfunctie als diender omdat er een sterke wietgeur werd waargenomen in zijn cel. Uit het verweer van de directie blijkt dat de directeur klager heeft aangesproken over de wietgeur die uit zijn cel kwam, en klager verklaard heeft dat de geur afkomstig is van de softdrugs op de wandeling van vleugel A. De klachtencommissie stelt echter vast dat uit het verweer blijkt dat er verschillende meters afstand zijn tussen de wandeling en het celraam van klager, en in de andere aangrenzende cellen die even ver van de wandeling liggen en waarbij de ramen ook geopend waren, geen gelijkaardige geur kon worden vastgesteld.
De klachtencommissie is dan van oordeel dat de directie klager mocht ontslaan uit zijn vertrouwensfunctie en de ontslagbeslissing niet louter op basis van vermoedens werd genomen, zoals klager in zijn klacht stelt. Het meldingsverslag werd immers duidelijk opgesteld en is volgens de klachtencommissie voldoende om minstens te spreken van een schending van het vertrouwen in hoofde van de twee celgenoten. De sterke wietgeur werd immers in hun cel vastgesteld door de beambten, en niet in de cellen die even ver verwijderd liggen van de wandeling. Bovendien blijkt uit het meldingsverslag dat het niet om de eerste keer zou gaan dat een drugsgeur aan de desbetreffende cel werd vastgesteld. De ontslagbeslissing werd voldoende gemotiveerd en laat de gedetineerde toe om te begrijpen waarom hij niet langer als geschikt wordt beschouwd voor de arbeidspost. De beslissing tot afzetting van werk is dus niet onwettig. De beslissing is daarnaast niet onredelijk of onbillijk.
Klager dient een klacht in tegen zijn ontslag.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie de ordemaatregel schriftelijk motiveerde. Klager werd ontslagen uit zijn vertrouwensfunctie als diender omdat er een sterke wietgeur werd waargenomen in zijn cel. Uit het verweer van de directie blijkt dat de directeur klager heeft aangesproken over de wietgeur die uit zijn cel kwam, en klager verklaard heeft dat de geur afkomstig is van de softdrugs op de wandeling van vleugel A. De klachtencommissie stelt echter vast dat uit het verweer blijkt dat er verschillende meters afstand zijn tussen de wandeling en het celraam van klager, en in de andere aangrenzende cellen die even ver van de wandeling liggen en waarbij de ramen ook geopend waren, geen gelijkaardige geur kon worden vastgesteld.
De klachtencommissie is dan van oordeel dat de directie klager mocht ontslaan uit zijn vertrouwensfunctie en de ontslagbeslissing niet louter op basis van vermoedens werd genomen, zoals klager in zijn klacht stelt. Het meldingsverslag werd immers duidelijk opgesteld en is volgens de klachtencommissie voldoende om minstens te spreken van een schending van het vertrouwen in hoofde van de twee celgenoten. De sterke wietgeur werd immers in hun cel vastgesteld door de beambten, en niet in de cellen die even ver verwijderd liggen van de wandeling. Bovendien blijkt uit het meldingsverslag dat het niet om de eerste keer zou gaan dat een drugsgeur aan de desbetreffende cel werd vastgesteld. De ontslagbeslissing werd voldoende gemotiveerd en laat de gedetineerde toe om te begrijpen waarom hij niet langer als geschikt wordt beschouwd voor de arbeidspost. De beslissing tot afzetting van werk is dus niet onwettig. De beslissing is daarnaast niet onredelijk of onbillijk.