KC33/26-0001
Non fondée
Fondée
KC - Wortel
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT - SANCTIE
Inzake de eerste tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie bijgevolg correct en afdoende gemotiveerd. Klager pleegde een inbreuk van de tweede categorie. Klager kreeg een tuchtsanctie van 7 dagen ATV. Een eerder opgelegde voorwaardelijke sanctie van 5 dagen ATV kwam eveneens in uitvoering. De klachtencommissie oordeelt dat deze sanctie wettelijk en redelijk is. De klacht is ongegrond.
Inzake de tweede tuchtbeslissing. De klachtencommissie acht de tuchtbeslissing gebrekkig omwille van de volgende reden. Klager liep op 27 december 2025 een RAD op, waarvoor op 30 december 2025 een tuchthoorzitting georganiseerd werd. Eveneens op 30 december 2025, voorafgaand aan de tuchthoorzitting, liep hij een tweede RAD op. In principe was er sprake van samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken en had dit tweede RAD meegenomen moeten worden in de beslissing van 30 december 2025. Klager had er niet enkele dagen later, via een tweede tuchtbeslissing, bijkomend voor gesanctioneerd mogen worden. De klachtencommissie gaat ervan uit dat deze fout te wijten is aan het gegeven dat de directie pas op 31 december 2025 kennis nam van het tweede RAD. De klachtencommissie meent echter dat de directie bij kennisname van het tweede RAD, gelet op het tijdstip waarop de tuchtfeiten die erin opgenomen staan zich voordeden, had moeten besluiten dat klager hier niet nog bijkomend voor gesanctioneerd mocht worden. De klachtencommissie maakt de analogie met artikel 142 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe aangezien klager hierover niets vermeld heeft op het klachtenformulier.
Inzake de eerste tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie bijgevolg correct en afdoende gemotiveerd. Klager pleegde een inbreuk van de tweede categorie. Klager kreeg een tuchtsanctie van 7 dagen ATV. Een eerder opgelegde voorwaardelijke sanctie van 5 dagen ATV kwam eveneens in uitvoering. De klachtencommissie oordeelt dat deze sanctie wettelijk en redelijk is. De klacht is ongegrond.
Inzake de tweede tuchtbeslissing. De klachtencommissie acht de tuchtbeslissing gebrekkig omwille van de volgende reden. Klager liep op 27 december 2025 een RAD op, waarvoor op 30 december 2025 een tuchthoorzitting georganiseerd werd. Eveneens op 30 december 2025, voorafgaand aan de tuchthoorzitting, liep hij een tweede RAD op. In principe was er sprake van samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken en had dit tweede RAD meegenomen moeten worden in de beslissing van 30 december 2025. Klager had er niet enkele dagen later, via een tweede tuchtbeslissing, bijkomend voor gesanctioneerd mogen worden. De klachtencommissie gaat ervan uit dat deze fout te wijten is aan het gegeven dat de directie pas op 31 december 2025 kennis nam van het tweede RAD. De klachtencommissie meent echter dat de directie bij kennisname van het tweede RAD, gelet op het tijdstip waarop de tuchtfeiten die erin opgenomen staan zich voordeden, had moeten besluiten dat klager hier niet nog bijkomend voor gesanctioneerd mocht worden. De klachtencommissie maakt de analogie met artikel 142 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe aangezien klager hierover niets vermeld heeft op het klachtenformulier.