TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - VERMOEDEN VAN ONSCHULD
De klachten betreffen een tuchtbeslissing van 07/10/2024 van de directie van de gevangenis.
De tuchtbeslissing is gebaseerd op een RAD van 05/10/2024 (feiten om 08.30 uur). Op de tuchtrechtelijke hoorzitting van 07/10/2024 heeft klager, bijgestaan door een raadsman, verklaard dat de verboden substantie van zijn celgenoot is. Onder de douche zou dit aan het licht gekomen zijn. Klager verklaart tevens dat hij niet ‘smoort’ en zijn celgenoot wel. Klager heeft ook verklaard dat hij zijn short op de rand van het bed hangt en de substantie waarschijnlijk zo in zijn broek terecht is gekomen. Na het horen van klager werd door de directie een beslissing genomen. Klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 14 dagen ATV omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de inbreuk van de eerste categorie ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden
voorwerpen of substanties’.
Uit artikel 144, §6 van de Basiswet volgt dat het tuchtfeit aan de tuchtrechtelijk vervolgde individueel moet kunnen worden toegerekend. In dat opzicht oordeelde de beroepscommissie in beslissing BC/22-01966 dat de redenering van de directie dat het onwaarschijnlijk was dat klager niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de verboden substantie op cel en hem de inbreuk vervolgens (mede) toerekende, geen rekening houdt met de hypothese dat een welbepaalde celgenoot de schuld op zich neemt en hiermee de verantwoordelijkheid van andere celgenoten uitsluit. Echter, de beroepscommissie meende dat dit enkel het geval zou zijn bij een ondubbelzinnige schuldbekentenis, waar geen sprake van was.
In casu stelt de klachtencommissie vast dat er sprake is van een schuldbekentenis van de celgenoot van klager. De directie trekt de bekentenis in twijfel omwille van de volgende elementen:
- de celgenoot kwam tot op het moment van de feiten niet met drugs in aanraking;
- de celgenoot werd niet veroordeeld voor drugsfeiten;
- deze heeft geen middelen van bestaan en kan dus geen drugs kopen;
- de verboden substanties werden in de broekzak van klager gevonden;
- klager werd veroordeeld voor drugsfeiten.
Bovenstaande redenering van de beroepscommissie indachtig, meent de klachtencommissie dat de directie terecht heeft geoordeeld dat er geen sprake was van een ondubbelzinnige bekentenis in
hoofde van de celgenoot van klager, die de verantwoordelijkheid van klager uitsluit. Ten eerste werd de verboden substantie gevonden in de broekzak van klager. Ten tweede heeft de celgenoot pas
zijn verklaring afgelegd nadat hij dit besproken had met klager. Ten derde, de directie ziet niet in hoe de celgenoot aan de verboden substanties zou komen (hij beschikt niet over voldoende middelen om drugs mee te kopen). Ten slotte is de celgenoot nooit met drugs in contact gekomen in de gevangenis. Gegeven dat er geen sprake is van een ondubbelzinnige bekentenis, acht de klachtencommissie het eveneens redelijk dat de directie het verhaal van klager ongeloofwaardig acht. Klager beperkt zich namelijk tot een ontkenning van enige betrokkenheid, waarbij hij verwijst naar de bekentenis van zijn celgenoot.
Voor de goede orde wenst de klachtencommissie wel het volgende te onderlijnen. De directie stelt in haar tuchtbeslissing dat klager reeds eerder in opspraak kwam rond misbruik van middelen.
Hoewel de directie bij de straftoemeting rekening kan houden met het (tucht)verleden van klager, kan dit geen aanwijzing opleveren noch een (op zichzelf staande) grond zijn om klager schuldig te
verklaren aan een bepaalde inbreuk. In casu is dit echter niet het geval. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directeur de feiten m.b.t. de verboden substanties bewezen achtte en ze aan klager toerekende. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie de feiten bewezen kon achten op basis van het duidelijke RAD. De klachtencommissie vindt deze tuchtbeslissing wettig, redelijk en billijk.
De klachtencommissie stelt vast dat de tuchtprocedure correct gevolgd werd door de directie.
De directie zou aan klager voor de tuchtinbreuk van de eerste categorie maximaal 30 dagen ATV kunnen opleggen. Klager kreeg 14 dagen ATV opgelegd. De klachtencommissie acht deze
tuchtsanctie wettelijk en redelijk. Zij stelt vast dat de directie in zekere zin rekening heeft gehouden met de omvang van de feiten en geen onredelijk zware straf heeft opgelegd.
Om deze redenen zijn de klachten niet gegrond.
De klachten betreffen een tuchtbeslissing van 07/10/2024 van de directie van de gevangenis.
De tuchtbeslissing is gebaseerd op een RAD van 05/10/2024 (feiten om 08.30 uur). Op de tuchtrechtelijke hoorzitting van 07/10/2024 heeft klager, bijgestaan door een raadsman, verklaard dat de verboden substantie van zijn celgenoot is. Onder de douche zou dit aan het licht gekomen zijn. Klager verklaart tevens dat hij niet ‘smoort’ en zijn celgenoot wel. Klager heeft ook verklaard dat hij zijn short op de rand van het bed hangt en de substantie waarschijnlijk zo in zijn broek terecht is gekomen. Na het horen van klager werd door de directie een beslissing genomen. Klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 14 dagen ATV omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de inbreuk van de eerste categorie ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden
voorwerpen of substanties’.
Uit artikel 144, §6 van de Basiswet volgt dat het tuchtfeit aan de tuchtrechtelijk vervolgde individueel moet kunnen worden toegerekend. In dat opzicht oordeelde de beroepscommissie in beslissing BC/22-01966 dat de redenering van de directie dat het onwaarschijnlijk was dat klager niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de verboden substantie op cel en hem de inbreuk vervolgens (mede) toerekende, geen rekening houdt met de hypothese dat een welbepaalde celgenoot de schuld op zich neemt en hiermee de verantwoordelijkheid van andere celgenoten uitsluit. Echter, de beroepscommissie meende dat dit enkel het geval zou zijn bij een ondubbelzinnige schuldbekentenis, waar geen sprake van was.
In casu stelt de klachtencommissie vast dat er sprake is van een schuldbekentenis van de celgenoot van klager. De directie trekt de bekentenis in twijfel omwille van de volgende elementen:
- de celgenoot kwam tot op het moment van de feiten niet met drugs in aanraking;
- de celgenoot werd niet veroordeeld voor drugsfeiten;
- deze heeft geen middelen van bestaan en kan dus geen drugs kopen;
- de verboden substanties werden in de broekzak van klager gevonden;
- klager werd veroordeeld voor drugsfeiten.
Bovenstaande redenering van de beroepscommissie indachtig, meent de klachtencommissie dat de directie terecht heeft geoordeeld dat er geen sprake was van een ondubbelzinnige bekentenis in
hoofde van de celgenoot van klager, die de verantwoordelijkheid van klager uitsluit. Ten eerste werd de verboden substantie gevonden in de broekzak van klager. Ten tweede heeft de celgenoot pas
zijn verklaring afgelegd nadat hij dit besproken had met klager. Ten derde, de directie ziet niet in hoe de celgenoot aan de verboden substanties zou komen (hij beschikt niet over voldoende middelen om drugs mee te kopen). Ten slotte is de celgenoot nooit met drugs in contact gekomen in de gevangenis. Gegeven dat er geen sprake is van een ondubbelzinnige bekentenis, acht de klachtencommissie het eveneens redelijk dat de directie het verhaal van klager ongeloofwaardig acht. Klager beperkt zich namelijk tot een ontkenning van enige betrokkenheid, waarbij hij verwijst naar de bekentenis van zijn celgenoot.
Voor de goede orde wenst de klachtencommissie wel het volgende te onderlijnen. De directie stelt in haar tuchtbeslissing dat klager reeds eerder in opspraak kwam rond misbruik van middelen.
Hoewel de directie bij de straftoemeting rekening kan houden met het (tucht)verleden van klager, kan dit geen aanwijzing opleveren noch een (op zichzelf staande) grond zijn om klager schuldig te
verklaren aan een bepaalde inbreuk. In casu is dit echter niet het geval. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directeur de feiten m.b.t. de verboden substanties bewezen achtte en ze aan klager toerekende. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie de feiten bewezen kon achten op basis van het duidelijke RAD. De klachtencommissie vindt deze tuchtbeslissing wettig, redelijk en billijk.
De klachtencommissie stelt vast dat de tuchtprocedure correct gevolgd werd door de directie.
De directie zou aan klager voor de tuchtinbreuk van de eerste categorie maximaal 30 dagen ATV kunnen opleggen. Klager kreeg 14 dagen ATV opgelegd. De klachtencommissie acht deze
tuchtsanctie wettelijk en redelijk. Zij stelt vast dat de directie in zekere zin rekening heeft gehouden met de omvang van de feiten en geen onredelijk zware straf heeft opgelegd.
Om deze redenen zijn de klachten niet gegrond.