Ga verder naar de inhoud

KC33/24-0039

Non fondée Fondée Irrecevable KC - Wortel Commission des plaintes Autre décision directeur Mesure provisoire Fouille à corps
VOORLOPIGE MAATREGEL - VERBODEN SUBSTANTIES - FOUILLE OP HET LICHAAM - TERMIJN - TUCHT

De klacht is gericht tegen elke naaktfouille die klager heeft ondergaan na een uitgaansvergunning of penitentiair verlof, tegen de voorlopige maatregel en tegen de tuchtbeslissing, opgelegd door de directie van de gevangenis.

Wat betreft de naaktfouilles:
Klager heeft in zijn klacht geen data vermeld wanneer de bestreden naaktfouilles plaatsvonden. Een klacht moet bovendien uiterlijk de zevende dag na die waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de bestreden beslissing, worden ingediend. Bij gebreke aan concrete informatie, kan de klachtencommissie deze klacht niet beoordelen. Deze klacht is onontvankelijk.

Wat betreft de voorlopige maatregel:
De directie heeft een voorlopige maatregel opgelegd omwille van de vondst van verboden substantie tijdens de naaktfouille waardoor klager in afwachting van een tuchtprocedure, diende te verblijven in zijn cel en uitgesloten was van deelname aan verschillende individuele en gemeenschappelijke activiteiten. De directeur meende immers dat klager de interne veiligheid ernstig en opzettelijk had aangetast.

De klachtencommissie, in navolging van de beroepscommissie, is van oordeel dat de vondst van verboden substanties geen ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid uitmaakt. De interne veiligheid is immers een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding. In de motivering van de voorlopige maatregel wordt geen melding gemaakt dat de fysieke integriteit van het personeel of andere gedetineerden, noch de goede staat van goederen in het gevaar kwam. Ook in het rapport aan de directeur (RAD) is hiervan geen sprake. De klachtencommissie gaat er van uit dat de verboden substanties ook werden afgenomen na de ontdekking ervan.

Nochtans had de directie op grond van dezelfde motivering een voorlopige maatregel kunnen nemen omdat zij vreesde voor de orde of de veiligheid. De klachtencommissie meent dat er een gevaar was voor de orde of de veiligheid door de vondst. De orde is immers de toestand waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis. In dat geval had men klager bepaalde voorwerpen kunnen ontnemen, had men klager kunnen uitsluiten van gemeenschappelijke of individuele activiteiten en had men klager zelfs kunnen observeren. Indien de situatie toch meer ingrijpende maatregelen vereiste, bijvoorbeeld omdat bleek dat klager onder invloed was of hij personen afperste, had men een nieuwe voorlopige maatregel kunnen nemen en kon men klager alsnog toewijzen aan zijn verblijfsruimte.
De klachtencommissie besluit dat de voorlopige maatregel werd opgelegd in strijd met de Basiswet. Om deze reden is deze klacht gegrond.

Wat betreft de tuchtbeslissing:
Er werd een RAD opgemaakt omwille van de vondst van verdachte substanties in het fouillelokaal na de naaktfouille van klager. Indien de directie meent dat de haar meegedeelde feiten een tuchtrechtelijk gevolg vereisen, wordt de gedetineerde door afgifte van een formulier schriftelijk in kennis gesteld van de tenlastelegging, van het feit dat tegen hem een tuchtprocedure zal worden opgestart, dat hij zijn tuchtdossier kan raadplegen en dat hij gehoord zal worden op een door de directeur bepaalde dag en tijdstip. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing om een tuchtprocedure op te starten niet onredelijk of onbillijk was gelet op de vaststellingen in het RAD.
Om deze redenen is deze klacht ongegrond.