TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting betwist klager het RAD en stelt dat er niets van klopt. Klager nam een aftrekker en medicatie aan, en liet de deur open omdat hij nog wou vragen of de stoel weg mocht. Zonder iets te zeggen werd klager met een been naar binnen geduwd en werd de deur dicht gedaan. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie niet correct. Op basis van het RAD stelt ze vast dat het personeelslid op geen enkel ogenblik een aanmaning of bevel aan klager heeft gegeven. De aanmaningen en bevelen werden immers enkel gericht aan de fatik. Volgens de klachtencommissie konden de feiten wel gekwalificeerd worden als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet) nu een van de gedragsregels die noodzakelijk zijn om een menswaardig samenlevingsklimaat tot stand te brengen of te handhaven is dat men de fatik de mogelijkheid geeft om de celdeur terug te sluiten tijdens de rondgang. Wanneer men dit opzettelijk verhindert, tast men opzettelijk de orde aan.
De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van observaties en informatie die specifiek betrekking hebben op het moment van de feiten. De directie verwijst met name naar het RAD en het gesprek tijdens de tuchtzitting en stelt dat hieruit duidelijk blijkt dat klager op het ogenblik van de feiten doelgericht handelde, zich bewust was van zijn omgeving en de gevolgen van zijn gedrag. Ook stelt ze dat er geen aanwijzingen zijn dat hij op dat moment onder invloed was van een psychotische episode, cognitieve desoriëntatie of andere symptomen die zijn oordeelsvermogen zouden aantasten.
De klachtencommissie vindt de motivering onvoldoende duidelijk aangezien de directeur niet verwijst naar specifieke elementen uit het RAD om haar stelling te onderschrijven. De klachtencommissie meent dat deze passage van de motivering dan ook het karakter van een stijlclausule heeft, dewelke de tuchtbeslissing niet naar recht motiveert. Volgens de klachtencommissie voldoet de motivering van de toerekenbaarheid van de feiten dan ook niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe aangezien klager hier niets over aangaf op zijn klachtenformulier.
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting betwist klager het RAD en stelt dat er niets van klopt. Klager nam een aftrekker en medicatie aan, en liet de deur open omdat hij nog wou vragen of de stoel weg mocht. Zonder iets te zeggen werd klager met een been naar binnen geduwd en werd de deur dicht gedaan. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie niet correct. Op basis van het RAD stelt ze vast dat het personeelslid op geen enkel ogenblik een aanmaning of bevel aan klager heeft gegeven. De aanmaningen en bevelen werden immers enkel gericht aan de fatik. Volgens de klachtencommissie konden de feiten wel gekwalificeerd worden als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet) nu een van de gedragsregels die noodzakelijk zijn om een menswaardig samenlevingsklimaat tot stand te brengen of te handhaven is dat men de fatik de mogelijkheid geeft om de celdeur terug te sluiten tijdens de rondgang. Wanneer men dit opzettelijk verhindert, tast men opzettelijk de orde aan.
De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van observaties en informatie die specifiek betrekking hebben op het moment van de feiten. De directie verwijst met name naar het RAD en het gesprek tijdens de tuchtzitting en stelt dat hieruit duidelijk blijkt dat klager op het ogenblik van de feiten doelgericht handelde, zich bewust was van zijn omgeving en de gevolgen van zijn gedrag. Ook stelt ze dat er geen aanwijzingen zijn dat hij op dat moment onder invloed was van een psychotische episode, cognitieve desoriëntatie of andere symptomen die zijn oordeelsvermogen zouden aantasten.
De klachtencommissie vindt de motivering onvoldoende duidelijk aangezien de directeur niet verwijst naar specifieke elementen uit het RAD om haar stelling te onderschrijven. De klachtencommissie meent dat deze passage van de motivering dan ook het karakter van een stijlclausule heeft, dewelke de tuchtbeslissing niet naar recht motiveert. Volgens de klachtencommissie voldoet de motivering van de toerekenbaarheid van de feiten dan ook niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe aangezien klager hier niets over aangaf op zijn klachtenformulier.