TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting erkent klager dat hij de verdachte substantie vond, deze opraapte en wou gebruiken om eens goed te slapen. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De klachtencommissie acht de motivering van de tuchtbeslissing echter gebrekkig, in zoverre de concrete feiten waarvoor klager gesanctioneerd wordt niet uiteengezet worden.
Het is niet de bedoeling dat de motivering van een tuchtbeslissing enkel kan begrepen worden door ze samen te lezen met het RAD.
De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct, maar wijst op haar voorgaande opmerking inzake het niet hernemen van de feiten in de motivering van de tuchtbeslissing. Dit leidde ertoe dat de kwalificatie ook niet afdoende gemotiveerd kon worden.
De directie motiveerde als volgt waarom ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten: “De directie acht klager toerekeningsvatbaar voor de feiten die hem ten laste worden gelegd op basis van observaties en informatie die specifiek betrekking hebben op het moment van de feiten. Uit de verslaggeving en gesprekken met het personeel blijkt dat klager op het ogenblik van de feiten doelgericht handelde, zich bewust was van zijn omgeving en de gevolgen van zijn gedrag. Er zijn geen aanwijzingen dat hij op dat moment onder invloed was van een psychotische episode, cognitieve desoriëntatie of andere symptomen die zijn oordeelsvermogen zouden aantasten. Hoewel klager geïnterneerd is, en ontoerekenbaarheid het uitgangspunt vormt, acht de directie op basis van deze concrete elementen de feiten in dit dossier toerekenbaar.” De klachtencommissie is van oordeel dat deze passage te weinig specifiek is en de clausule eerder het karakter heeft van een stijlclausule (temeer aangezien deze paragraaf ook al in een ander dossier gebruikt werd). Zo wordt er gesproken over “observaties en informatie die specifiek betrekking hebben op het moment van de feiten”. Het RAD van 4 december 2025 beschrijft de vondsten van de verboden substanties, doch zegt niets over de geestestoestand van klager. Ook is het onduidelijk waarop de “gesprekken met het personeel” precies slaan. Klager wees er in zijn klacht op dat hij enkel het inrichtingshoofd over de feiten sprak. Volgens de klachtencommissie voldoet de motivering van de toerekenbaarheid van de feiten dan ook niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe aangezien klager hierover niets aangaf op het klachtenformulier.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting erkent klager dat hij de verdachte substantie vond, deze opraapte en wou gebruiken om eens goed te slapen. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De klachtencommissie acht de motivering van de tuchtbeslissing echter gebrekkig, in zoverre de concrete feiten waarvoor klager gesanctioneerd wordt niet uiteengezet worden.
Het is niet de bedoeling dat de motivering van een tuchtbeslissing enkel kan begrepen worden door ze samen te lezen met het RAD.
De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct, maar wijst op haar voorgaande opmerking inzake het niet hernemen van de feiten in de motivering van de tuchtbeslissing. Dit leidde ertoe dat de kwalificatie ook niet afdoende gemotiveerd kon worden.
De directie motiveerde als volgt waarom ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten: “De directie acht klager toerekeningsvatbaar voor de feiten die hem ten laste worden gelegd op basis van observaties en informatie die specifiek betrekking hebben op het moment van de feiten. Uit de verslaggeving en gesprekken met het personeel blijkt dat klager op het ogenblik van de feiten doelgericht handelde, zich bewust was van zijn omgeving en de gevolgen van zijn gedrag. Er zijn geen aanwijzingen dat hij op dat moment onder invloed was van een psychotische episode, cognitieve desoriëntatie of andere symptomen die zijn oordeelsvermogen zouden aantasten. Hoewel klager geïnterneerd is, en ontoerekenbaarheid het uitgangspunt vormt, acht de directie op basis van deze concrete elementen de feiten in dit dossier toerekenbaar.” De klachtencommissie is van oordeel dat deze passage te weinig specifiek is en de clausule eerder het karakter heeft van een stijlclausule (temeer aangezien deze paragraaf ook al in een ander dossier gebruikt werd). Zo wordt er gesproken over “observaties en informatie die specifiek betrekking hebben op het moment van de feiten”. Het RAD van 4 december 2025 beschrijft de vondsten van de verboden substanties, doch zegt niets over de geestestoestand van klager. Ook is het onduidelijk waarop de “gesprekken met het personeel” precies slaan. Klager wees er in zijn klacht op dat hij enkel het inrichtingshoofd over de feiten sprak. Volgens de klachtencommissie voldoet de motivering van de toerekenbaarheid van de feiten dan ook niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe aangezien klager hierover niets aangaf op het klachtenformulier.