TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 24 september 2025. Hierin wordt beschreven hoe een beambte bij het lossen van klager voor een tuchtprocedure een verdachte geur van een verboden substantie waarneemt. Bij de navolgende celcontrole werd een pakje tabak aangetroffen dat niet enkel naar tabak rook. Dit pakje tabak met vermoeden van een verboden substantie wordt toegevoegd aan het RAD. Klager wordt door de chef aangesproken op zijn rookgedrag en beaamt dat hij minder moet roken. Wanneer de chef verwijst naar de vermoedelijk verboden substantie die in de tabak zit en dat die ook niet goed voor hem is, lacht klager en zegt “oh dan zit dat er nog in van de vorige keer.” Klager gaf toe dat hij net gerookt had en ontkende niet dat het drugs was. Ter tuchtzitting erkende klager de feiten. Zijn gedrag wordt vergoelijkt door te verwijzen naar de stress die hij had met betrekking tot zijn KBM-dossier. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, verwijzend naar de volgende elementen:
(1) Een advies van de psychiater
Hoewel niet vermeld wordt van wanneer dit advies dateert, stelt de klachtencommissie vast dat het advies gevraagd werd naar aanleiding van een “tucht omwille van aanhoudend gebruik van cannabis zonder respect voor de afdelingsregels”. De laatste tuchtbeslissing voor gelijkaardige feiten die ter beoordeling aan de klachtencommissie voorlag dateert van 17 september 2025. In die tuchtbeslissing werd er niet naar dergelijk advies verwezen. Wellicht werd het advies gevraagd naar aanleiding van de feiten in dossier KC32/25-0188 (die dateren van 19 september 2025), waarin de klachtencommissie tot op heden echter het tuchtdossier nog niet ontving. De klachtencommissie meent in elk geval dat het om een recent advies gaat en dat het handelt om tuchtfeiten zoals in het voorliggend dossier. De klachtencommissie stelt vast dat de psychiater geen bezwaar maakt tegen de tuchtrechtelijke sanctionering van klager voor aanhoudend gebruik van cannabis.
(2) Het feit dat klager op het moment van de feiten helder en coherent in gesprek gaat met de beambte
De directie motiveert dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, verwijzend naar de heldere en coherente manier waarop klager in gesprek gaat met de beambte. De klachtencommissie stelt vast dat de directie zich zo goed als mogelijk over de toestand van klager op het moment van de feiten (vlak na de ontdekking ervan) heeft uitgesproken. Hetgeen de directie aanhaalt, vindt volgens de klachtencommissie steun in het RAD.
(3) Het feit dat klager een heldere en bewuste indruk maakt tijdens de zitting en een duidelijk motief geeft voor zijn gedrag
Met een verwijzing naar de verklaringen van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet dienstig.
Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten echter afdoende gemotiveerd op basis van de eerste twee elementen. De motivering voldoet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is ongegrond.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 24 september 2025. Hierin wordt beschreven hoe een beambte bij het lossen van klager voor een tuchtprocedure een verdachte geur van een verboden substantie waarneemt. Bij de navolgende celcontrole werd een pakje tabak aangetroffen dat niet enkel naar tabak rook. Dit pakje tabak met vermoeden van een verboden substantie wordt toegevoegd aan het RAD. Klager wordt door de chef aangesproken op zijn rookgedrag en beaamt dat hij minder moet roken. Wanneer de chef verwijst naar de vermoedelijk verboden substantie die in de tabak zit en dat die ook niet goed voor hem is, lacht klager en zegt “oh dan zit dat er nog in van de vorige keer.” Klager gaf toe dat hij net gerookt had en ontkende niet dat het drugs was. Ter tuchtzitting erkende klager de feiten. Zijn gedrag wordt vergoelijkt door te verwijzen naar de stress die hij had met betrekking tot zijn KBM-dossier. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, verwijzend naar de volgende elementen:
(1) Een advies van de psychiater
Hoewel niet vermeld wordt van wanneer dit advies dateert, stelt de klachtencommissie vast dat het advies gevraagd werd naar aanleiding van een “tucht omwille van aanhoudend gebruik van cannabis zonder respect voor de afdelingsregels”. De laatste tuchtbeslissing voor gelijkaardige feiten die ter beoordeling aan de klachtencommissie voorlag dateert van 17 september 2025. In die tuchtbeslissing werd er niet naar dergelijk advies verwezen. Wellicht werd het advies gevraagd naar aanleiding van de feiten in dossier KC32/25-0188 (die dateren van 19 september 2025), waarin de klachtencommissie tot op heden echter het tuchtdossier nog niet ontving. De klachtencommissie meent in elk geval dat het om een recent advies gaat en dat het handelt om tuchtfeiten zoals in het voorliggend dossier. De klachtencommissie stelt vast dat de psychiater geen bezwaar maakt tegen de tuchtrechtelijke sanctionering van klager voor aanhoudend gebruik van cannabis.
(2) Het feit dat klager op het moment van de feiten helder en coherent in gesprek gaat met de beambte
De directie motiveert dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, verwijzend naar de heldere en coherente manier waarop klager in gesprek gaat met de beambte. De klachtencommissie stelt vast dat de directie zich zo goed als mogelijk over de toestand van klager op het moment van de feiten (vlak na de ontdekking ervan) heeft uitgesproken. Hetgeen de directie aanhaalt, vindt volgens de klachtencommissie steun in het RAD.
(3) Het feit dat klager een heldere en bewuste indruk maakt tijdens de zitting en een duidelijk motief geeft voor zijn gedrag
Met een verwijzing naar de verklaringen van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet dienstig.
Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten echter afdoende gemotiveerd op basis van de eerste twee elementen. De motivering voldoet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is ongegrond.